Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



dinsdag 23 februari 2016

Hans Maarten van den Brink over Dijk, VPRO Boeken, 21 februari 2016


Heimwee naar een tijd waarin de waan van de dag nog afwezig was

Hans Maarten van den Brink komt met een opvolger van zijn roman Over het water. De roman Dijk gaat volgens teletekst over hetgeen rest van een levenlang toegewijde arbeid.

Wim Brands begint al meteen over het ijkwezen dat de inhoud vormt van die arbeid. In 1962 gaan twee mannen bij die dienst werken.
Van den Brink vertelt dat de dienst weegschalen controleert en keurt om te zorgen dat er eerlijk wordt gehandeld. De dienst begon in de Napoleontische tijd, werd door koning Willem I ingevoerd in het kader van de eerlijkheid en bestond uit honderden medewerkers overal in het land. In de tijd van de privatisering is de dienst ingekrompen en valt tegenwoordig onder het agentschap telecom.

Brands haalt een scène aan waarin een kruidenier zijn klanten probeert te flessen met een vislijn, verbonden aan zijn weegschaal.
Volgens Van den Brink waren er wel slinksere manieren om bedrog te plegen, bijvoorbeeld door een vinger op de weegschaal te houden of er extra veel papier op te leggen. Behalve treurig was zulk gedrag ook potsierlijk.

Brands vraagt waarom Van den Brink het ijkwezen als decor voor zijn roman gekozen heeft.
Van den Brink antwoordt dat het onderwerp hem heeft gekozen, maar dat hij wel gefascineerd was naar mannen die daar decennia lang bleven werken. Hij vindt dat een roman over echte mensen moet gaan en Dijk is zo iemand. Het verhaal eindigt pas kort geleden en dat heeft te maken met vasthouden aan het werk dat men doet en de overgave waarmee dat gebeurt. Hijzelf wil vastleggen wat verdwenen is. Hij vertelt over een café met een fietsenrek ervoor met een oude frisdrankreclame erop. Zoiets zet hem aan om naar binnen te gaan en met de cafébaas te praten. Dat is een voorbeeld van de manier waarop hij werkt, niet vanuit een plan, maar wat er op zijn pad komt.

Brands weerspreekt de mogelijk opkomende gedachte dat het om nostalgie zou gaan.
Van den Brink is er duidelijk over dat het geen terugverlangen is maar vroeger, omdat geen enkele tijd ooit zekerheid bood en dat er aan alles ook een andere kant zit.

Brands sluit niet uit dat er toch iets verloren is gegaan en wil weten wat dat dan is.
Volgens Van den Brink stond de ambtenarij voor continuïteit die door alle aandacht voor de waan van de dag verloren is gegaan, maar de huidige directrice in het boek heeft ook zijn sympathie, net als alle personages trouwens, want zonder empathie zou hij hen niet kunnen beschrijven. Hij zou zelf zo’n kantoorman kunnen zijn net zoals hij in Azië een straatveger zou kunnen zijn.

Brands komt terug op de twee mannen die levensecht geportretteerd worden en een grote mate van collegialiteit aan de dag leggen.
Van den Brink zegt dat die nogal vormelijk is, op een manier die tegenwoordig niet meer bestaat. Ze gingen veertig jaar met elkaar om zonder elkaar echt te kennen.

Het fascineert Brands dat Van den Brink in zo’n wereld terechtkomt.
Van den Brink kent de heimwee die daar van uitgaat, misschien ook wel door een gebrek aan identiteit.

Dat laatste triggert Brands. Hij vraagt of dat echt zo is.
Van den Brink ziet de identiteit als een constructie, iets dat hem wel bezig houdt. Hij gaat er niet onder gebukt, voelt wel een heimwee om ergens thuis te komen, maar aanvaardt dat dit zomaar zal gebeuren en heeft daar vrede mee.



 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen