Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



donderdag 30 juni 2016

Halfjaarbericht Allerhande maar vooral literatuur, 30 juni 2016


Het sprookje van de wolf en de geitjes

Het is niet te vermijden dat de Brexit in mijn halfjaarbericht een belangrijke plaats inneemt. Ik ben na een kleine week nog steeds overdonderd over het uittreden van de Britten uit de Europese Unie. Ze zijn me zo nabij, dit volk met hun eeuwenoude tradities en hun eigenzinnige aard, die bijzondere kunstenaars oplevert als de popzangeressen Amy MacDonald en Adèle en de schrijvers John Banville en Julian Barnes. Het verlies van de Britten is een verlies voor Europa. PJ Harvey verwoordde dat afgelopen weekend treffend door het gedragen reciteren van No man is an island, een fragment uit een Meditatie van de Engelse dichter John Donne uit de zeventiende eeuw. De breuk is een drama van Shakespeariaans niveau met alle lagen die daarbij horen. Het gemor onder het volk, de arrogantie van de hoge heren, het verlangen naar geluk en de verkeerde afslag daartoe, de reflex om terug te grijpen naar oude patronen, zoals Joep Leerssen opmerkte in Het Filosofisch Kwintet van afgelopen zondag dat over onafhankelijkheid van staten ging maar verzandde in een polemiek over begrippen.

De Brexit staat niet op zichzelf. De uitslag van het Nederlandse referendum over het verdrag met Oekraïne afgelopen april was al een veeg teken. Het toont opnieuw het revanchisme dat onder de bevolking leeft. Dat heeft te maken met de grote veranderingen die in onze maatschappij spelen en die door de bestuurders niet worden gestuurd, maar overgelaten aan de vrije markt die heel wat minder vrij is dan we denken. We leven, als een variatie op het moeras dat ik in de aanhef van mijn blog noem, op een aardschol die in beweging is en moeten een stap te zetten, naar achteren dan wel naar voren. We kunnen ons ingraven of meebewegen. In het eerste geval verdedigen we wat we hebben, staan we voor belangen, die onvermijdelijk tot oorlog voeren, in het tweede geval passen we ons aan aan de nieuwe omstandigheden en vinden we hedendaagse oplossingen voor de uitdagingen die de nieuwe tijd ons stelt. Techniek en zonne-energie leveren ons de middelen.

Wat zijn onze belangen precies? Is dat niet om in vrede met elkaar te leven, onenigheden uit te praten en ons in het laatste geval neer te leggen bij een uitspraak van een wereldregering?

Het nationalisme kan nooit een oplossing in een wereld die steeds kleiner wordt en ons steeds meer tot wereldburger maakt. Moeder aarde schreeuwt om aandacht en maakt het nodig heel hard samen te werken om ervoor te zorgen dat onze kleinkinderen straks nog op dezelfde manier van de natuur kunnen genieten als wij nog kunnen doen.

Bestuurders in Europa en in Nederland dienen zich af te vragen of hun maatregelen en besluiten begrepen worden door de bevolking(en) en er alles aan te doen om de leefbaarheid voorop te stellen. Dit vraagt om zich los te maken van de economische macht die als een hebberige wolf steeds meer binnendringt in het bestaan. Zolang de wolf niet getemd wordt, blijven de geitjes bang en maken ze rare sprongen.

Een van de beste mogelijkheden om uit de verkramping te komen is door de band tussen inkomen en arbeid los te laten. In Zwitserland is onlangs een referendum over het basisinkomen gehouden dat weliswaar niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, maar wel door een kwart van de Zwitsers omarmd werd. Zo gaat het met nieuwe regelingen. Ook ons pensioen is er niet zomaar gekomen. In Nederland wordt eveneens aan de weg getimmerd voor een referendum over het basisinkomen. Zoiets vereist een lange adem, maar wie weet maken we het nog mee dat de geitjes straks toch weer vreedzaam staan te grazen.  

Hier PJ Harvey op het Down the rabbit hole festival bij Nijmegen met haar gedicht van John Donne uit 1624. Hier de petitie voor het basisinkomen 2018.  

De confrontatie – twee jaar aan de ateliers (2015), documentaire van Ditteke Mensink


Wat is kunst?

Documentairemaker Ditteke Mensink zocht een antwoord op de vraag wat kunst is en ging kijken bij De ateliers, een postacademische opleiding in Amsterdam waar een zeer select groepje kunstenaars de gelegenheid krijgt om ideeën uit te broeden. De ateliers wordt dan ook een broedplaats genoemd voor talenten in de beeldende kunst. De tien personen die jaarlijks worden toegelaten krijgen een atelier toegewezen en ondersteuning in de vorm van tutors, die hun sporen op dit vakgebied hebben nagelaten, zoals Marlene Dumas, die in de jaren zeventig in De ateliers werkte. Het uitbroeden van ideeën blijkt vooral een zware zelfconfrontatie te zijn, die ook invloed heeft op het camerawerk van Mensink. Daarbij wordt door de regering ook nog ernstig geknaagd aan de subsidie voor de instelling.

Mensink begint met een urinoir van Marcel Duchamp, die in 1917 alle voorwerpen tot kunst verklaarde en daarmee een levensgrote vraag boven dit terrein van het leven hing die daar nog steeds hangt. Ze brengt de soepblikken van Andy Warhol in beeld en Piero Manzoni als voorbeelden van kunstenaars die de toeschouwer anders willen laten kijken naar de werkelijkheid. Daarvoor is volgens het idee van De ateliers rust en vrijheid nodig en een confrontatie met gevestigde kunstenaars.

De directeur zit aan de telefoon om geïnterviewde kandidaten mee te delen dat ze zijn afgewezen dan wel aangenomen. De maatstaf van de toelatingscommissie is of iemand iets te bieden heeft. Timmy van Zoelen heeft in het interview laten zien dat hij de film Salo van Pasolini als uitgangspunt wil nemen en daar een laag over heen zetten om te laten zien hoe verlangens gereflecteerd worden. De toelatingscommissie geeft hem het voordeel van de twijfel. Tijdens het eerste jaar leert hij door de uiteenlopende meningen van anderen vooral zichzelf te blijven. Hij vindt het wel waardeloos als niemand op dinsdag wanneer iedereen mag binnenlopen, niemand bij hem langskomt. Aan het eind van het jaar toont hij zijn work in progress: drangers van deuren die iets zeggen over de druk die hij op zich voelt. 

Lennart Lahuis maakt objecten die tussen schilderijen en beeldhouwwerken in zitten. Hij vindt dat Mensink teveel wil begrijpen. In het tweede jaar voelt hij zich ontvankelijk en transparant tijdens het verwerken van zijn ervaringen, maar heeft het idee dat hij iets moet teruggeven. De tutor vindt zijn raamwerken te veilig, te veel en te ingekaderd. Mensink voelt zijn weerstand en hoort dat Lennart niet meer gefilmd wil worden.

Daniel de Roo is op zoek naar het grotere geheel en snijdt politieke thema’s aan, die door een tutor als te abstract worden beoordeeld. Er zou nog een laag overheen moeten. Daniel zegt dat hij nogal blind binnen kwam en het ook wel eng vindt dat er meteen een documentaire gemaakt wordt. Hij koestert de mening van een oudere kunstenaar die zeer te spreken was over zijn werk. Een vrouwelijke tutor kan geen begin of eind aan zijn nieuwe werk ontdekken, waarop Daniel zegt dat hij nog zoekende is. Mensink heeft het idee dat hij haar ontloopt. Na het tonen van een computeranimatie wil ook hij niet meer gefilmd worden.

De Engelse Penny tekent in een boekje om aan haar gevoelens te ontsnappen en praat in verband met haar werk over de relatie tussen zien en weten. Dumas praat op haar in over het gevaar om niet te weten. Het gevoel van Mensink over de kwetsbaarheid van een wordingsproces is, wordt bewaarheid omdat Penny haar medewerking aan de documentaire opzegt.

Mensink verbaast zich erover dat er tijdens de presentatie van de tweedejaars filosofische gesprekken worden gevoerd en dat ze denkers hoort die zich in beelden willen uitdrukken, maar niets over hun persoonlijke motivatie willen prijsgeven. De tutoren zeggen haar dat dit ook niet kan, dat zij de kunstenaar achter de mens zoeken in plaats van andersom.

De Zweed Andreas Arndt is slecht op zijn gemak en bouwt het atelier na, hetgeen een niet al te bemoedigend gesprek oplevert over ironie. De commissie is kritisch. Arndt zegt daarop dat hij niet slim wil zijn, maar gelukkig. Zijn knäckebrödvormen die door muizen zijn aangevreten, krijgen evenmin een positief onthaal. Mensink vindt Arndt openhartig en filmt zijn voorbereiding om als een soort kunstwerk met een rubberboot terug te varen naar Zweden (zie foto). Ze ziet een jongen in de kunstenaar die zijn mislukking toelaat en iets echts wil doen, hoe moeilijk te vatten dit begrip ook is. Verder dan de stadsgrenzen van Amsterdam komt hij niet. Het is te koud. Wel maakt hij een videoverslag over zijn project waarin hij een tutor het vuur aan de schenen legt. 

Victoria de Heus en haar man Henk sponsoren De ateliers en kopen werk van de Engelse Fiona McKay die daar zeer blij mee is. Tijdens een etentje voor begunstigers zegt De Heus dat ze weet hoe eenzaam het beroep van kunstenaar is en dat ze daarom nog meer van hen houdt.

Wat kunst is, is zo complex dat een antwoord daarop niet te geven is en misschien is dat maar goed ook.

Hier de site van Ditteke Mensink, hier een reflectie over de zienswijze van Marlene Dumas onder de titel Onderwijzen in kunst is onmogelijk en zinvol op de site van Mister Motley.

Filmrecensie: La grande illusion (1937), Jean Renoir



Een zwart wit film die niet zwart wit is, maar de mens centraal stelt

In de vermakelijke maar net zo wrange oorlogsfilm La grande illusion schetst Jean Renoir, zoon van de bekende schilder, de illusie om met geweld problemen op te lossen. Deze film is, met het conflict in Oekraïne en terreurbewegingen die een islamitisch kalifaat proberen te vestigen op het netvlies, zeer actueel. In de tijd van de Eerste Wereldoorlog ging men wel heel wat coulanter om met krijgsgevangenen.

Dat laatste is meteen duidelijk als Maréchal (Jean Gabin) en De Boeldieu, twee officieren van het Franse leger, door de Duitsers in hun jachtvliegtuigen worden neergehaald, nadat ze een grijze vlek op de kaart in beeld probeerden te krijgen. De Duitsers zouden net gaan eten en nodigen de gevangenen uit de maaltijd met hen te gebruiken. De aristocratische kolonel Von Rauffenstein (Erich von Stroheim) onderhoudt zich met de twee tot ze worden afgevoerd naar het Duitse krijgsgevangenenkamp Hallbach.

Daar ontmoeten ze lotgenoten uit Engeland en Rusland. Ook de rijke jood Rosenthal is van de partij. De krijgsgevangenen hebben het beter dan de bewakers, omdat ze regelmatig pakketten van het thuisfront ontvangen. De cognac vloeit daardoor rijkelijk. Vervelen hoeven ze zich ook niet, want ze oefenen voor een musical en als het tijd is om te gaan slapen, graven ze verder met een tunnel die, net als voor Papillon, naar de vrijheid moet leiden.

Vanwege pogingen om uit te breken worden de gevangenen met de trein naar ander kampen gebracht. Maréchal, De Boeldieu en Demolder komen in een kamp in de buurt van Mainz, niet ver van de Zwitserse grens. Het kamp is gevestigd in een burcht. Von Rauffenstein die daar de leiding heeft zegt dat men daar onmogelijk uit kan ontsnappen. Rosenthal blijkt daar ook al te zijn. De gevangenen zetten zich aan een vertaling van de Griekse dichter Pindaros, maar beramen ook alweer een plan voor een uitbraak, met een lang touw dit keer.

Von Rauffenstein heeft in de aristocraat De Boeldieu een lotgenoot gevonden. Hij praat met hem over de gevolgen van de oorlog die hij aan de lijve heeft ondervonden en vindt zijn werk afschuwelijk. Hij koestert de enige bloem die in het hele kasteel te vinden is.

Demolder wil Maréchal en Rosenthal helpen ontsnappen. Ze bedenken een plan om de Duitsers in verwarring te brengen door op fluitjes te blazen en met pannen te rammelen. De Boeldieu fungeert als afleider. Hij fluit op de torens van de burcht en wordt door Von Rauffenstein persoonlijk neergeschoten. In de ziekenzaal vraagt hij vergiffenis aan De Boeldieu. Die krijgt hij. De Boeldieu had in zijn geval hetzelfde gedaan. Hij vindt dat zij, aristocraten, geen toekomst meer hebben en dat sneuvelen voor hen de beste oplossing is. Dat doet hij dan ook. Von Rauffenstein treurt heel symbolisch bij zijn enige, verwelkte bloem.

Maréchal en Rosenthal zijn met succes gevlucht, maar behoorlijk vervuild en Rosenthal is ook nog eens kreupel. Ze krijgen ruzie, leggen het weer bij en vinden onderdak bij de Duitse boerin Elsa met een jonge dochter in de basisschoolleeftijd. Haar man en broers zijn gesneuveld. Daar sterken de twee mannen aan. Het wordt even spannend als er een peloton Duitsers voorbij marcheert maar die willen alleen de afstand tot het volgende dorp weten. De boerin krijgt zelfs nog een liefdesverhouding met Maréchal. Hij belooft haar na de oorlog weer op te zoeken.  

In de zwart wit film La grande illusion is niets zwart wit, maar staat het individu centraal. Hier de trailer.

woensdag 29 juni 2016

Ik ben Alice (2015), documentaire van Sander Burger


Bizarre poging om eenzaamheid op te heffen

Documentairemaker Sander Burger volgt drie oude, eenzame vrouwen die te maken krijgen met de zorgrobot Alice, die in Amerika gemaakt is. Dit wezentje, dat in een reactie op de trailer een furby voor volwassenen wordt genoemd, moet het isolement van ouderen, die snel in aantal toenemen, verlichten. Tussendoor volgen we het onderzoek op de Vrije Universiteit om te zien robotica inderdaad voor dit doel geschikt is. Daartoe vraagt men reacties van medewerkers in de zorg. Ze bekijken de beelden van Alice en staan kritisch over de mogelijkheden van robotica in hun werkveld. Een van de doelen van het onderzoek is om de scepsis bij hen weg te nemen.

Voorafgegaan aan de proef wordt de vrouwen een intake gesprek afgenomen en wel door dezelfde Alice die een menselijk gezicht heeft met lang zwart haar en een zachte huid en volgens de programmeur niet al te groot is om niet af te schrikken. Alice oogt als een pienter meisje dat altijd vriendelijk is, maar wel erg mechanisch reageert. Meteen al valt op dat ze de klemtoon verkeerd legt, hetgeen niet bepaald vertrouwen wekt.

Mevrouw Remkes is de eerste die aan een vragenvuur onderworpen wordt. Ze noemt zichzelf eenzaam, geeft zichzelf een zesje voor haar sociale leven, zoekt activiteiten buitenshuis en ziet weinig in het contact met een robot. ‘O, dat is jammer,’ is het commentaar van Alice. Volgens de zorgmedewerkers wordt ze door dit gesprek nog meer in haar eenzaamheid gedrukt. In ieder geval wordt ze wel uitgekozen voor deelname aan het project. Als Alice zegt dat het volgens de buienradar droog is, gaan ze naar een activiteitencentrum in de buurt waar de koffie lekker is en later kijken ze op haar kamer naar het WK voetbal. Als mevrouw indommelt maakt Alice, die voor de gelegenheid een oranje krans om het hoofd heeft, haar wakker met de uitroep Hup Holland hup. Als ze een kaart wil sturen aan een man die een wekkertje voor haar kocht, is Alice degene die het postcode weet en ook nog kan verbeteren als mevrouw die verkeerd verstaan heeft.

Mevrouw Schellekens-Blanke is zangeres geweest en heeft nog wel contact met haar dochter en een vriend, die piano speelt. Omdat ze wat doof is, kan ze niet zo gemakkelijk met Alice praten. Tijdens de informatiebijeenkomst stelt men vast dat Alice ook liedjes paraat moet hebben. Aldus gebeurt.

Mevrouw van Wittmarschen heeft een oudere zoon die in Portugal woont en die ze vaak belt. Ze wil ook dat haar zoon met Alice praat die bij haar op de bank zit (zie foto), maar dat lukt niet. Ze toont foto’s van haar zoon uit een album en kwebbelt er vrolijk op los. Als ze wijst op een beer op een foto, kan Alice die eerst niet zien, maar later wel als ze het album wat hoger houdt. Tijdens een behandeling van haar dikke benen kijkt Alice naar de rug van de fysiotherapeut. De oefeningen die hij opgeeft worden door Alice opgeslagen, die daarop de vrouw kan begeleiden. 

Tussentijdse conclusie is dat de antwoorden van Alice eerder moeten komen, vooral bij mensen met een slecht korte termijn geheugen. De programmeur laat mevrouw Schellekens-Blanke een paar andere stemmen horen, waaronder een Vlaamse die toch te ver van haar bed is. Een zorgmedewerkster zegt dat eenzaamheid vaak wordt onderschat en vertelt een schrijnend verhaal van een bezoek aan een eenzame mevrouw die de nacht daarop een overdosis pillen had ingenomen. Het gaf haar een machteloos gevoel.

Mevrouw Schellekens-Blanke zegt aan het eind van de zwaar gemonteerde documentaire dat er nog veel aan Alice geknutseld moet worden. En dan nog is contact tussen twee mensen natuurlijk niet te vervangen. Het zou beter zijn daar aan te werken dan in te zetten op robotica. Dat moet toch meer gezien worden als een spelletje voor iemand die dat leuk vindt, net zoals een kind gek kan zijn op een furby.

Hier de trailer op vimeo, hier meer informatie over de documentaire.

dinsdag 28 juni 2016

Filmrecensie: Hannah and her sisters (1986), Woody Allen


Relatiedrama’s in een joodse familie in New York

Ik verheugde me erop om Hannah en haar zussen na zoveel jaren weer te zien, maar de film van Woody Allen viel toch wel tegen. In een wereld die in rep en roer is, doet al dat gedoe over relaties gedateerd aan. Desondanks zet Woody Allen in zijn rol van de neurotische Mickey Sachs, nog altijd de lachspieren in werking en is Barbara Hershey in haar rol van Lee, de innemende jongste zus van Hannah, een lust voor het oog.

Hannah and her sisters gaat over de verhouding die drie creatieve zussen, dochters van een stel acteurs, met elkaar hebben, waarbij Hannah de oudste is en de enige die redelijk succesvol is. De film begint met Thanksgiving, waarin de familie aan tafel gaat. Elliot, de echtgenoot van de zorgzame Hannah, kan zijn ogen niet van Lee afhouden, die een relatie met een norse schilder heeft. In een monoloog interieur horen we hem, net als ook anderen verderop in de film, denken hoe hij haar kan verschalken. Lee probeert geld los te krijgen bij Hannah om een cateringbedrijfje te financieren zolang haar toneelcarrière nog niet lukt. Later zien we haar en haar vriendin April voedsel serveren onder de naam Stanislavski Catering Compagny.

Al gauw komt Woody Allen zelf in beeld in de figuur van Mickey, die eerder met Hannah was getrouwd en met haar een tweeling heeft. Hij komt op bezoek vanwege de verjaardag van zijn zoons, maar niet te lang want hij heeft het druk met regisseren, hoewel hij daar weinig succes mee heeft. Hij heeft last van hypochondrie en bezoekt daarom zijn dokter in de verwachting dat die hem daar van af zal helpen, al is dat slechts tijdelijk. De dokter stuurt hem echter vanwege oorklachten door naar het ziekenhuis, waarop Mickey een bevriende arts belt over de mogelijke reden daarvan. Als die hem zegt dat hij mogelijk een hersentumor heeft is het hek van de dam.

Als geruime tijd later echter blijkt dat er niets aan de hand was, is Mickey slechts kortstondig tevreden. Het feit dat hij dood zal gaan, al is het wat later, maakt hem mismoedig en hij consulteert een priester daarover. Het feit dat die hem op het christendom wijst, is voor de ouders van Mickey een gotspe. Zijn moeder vraagt aan haar man om Mickey uit te leggen wat er verkeerd aan de nazi’s is, maar de man kan dat niet uitleggen omdat hij niet eens weet hoe een blikopener werkt. Ook een flirt met de Hare Krishna loopt op niets uit. Door het kijken van een film van de Marx Brothers raakt hij zijn zwaarmoedigheid enigszins kwijt en tenslotte is daar Holly, met wie hij in de tijd dat hij met Hannah ging een zware aanvaring had, maar die in een grappige scène, die aan Annie Hall doet denken, rechtgezet en goedgemaakt wordt, al zet het eind waarin Holly zegt dat ze zwanger is, terwijl Mickey onvruchtbaar is, toch weer een en ander op losse schroeven.

In korte tekstjes tussendoor die als titels van hoofdstukken de verschillende episoden gedurende een jaar met elkaar verbinden, krijgen we een beeld van de relatiedrama’s die tussen de ouders spelen en die op hun dochters doorwerken. Elliot heeft zijn avontuurtje met Lee, maar kiest toch Hannah, al is hij weer teleurgesteld dat Lee, na het verbreken van haar relatie met de norse schilder Frederick, iets krijgt met professor Doug bij wie ze literatuurlessen volgt, Holly is toneelstukken gaan schrijven om te beginnen over Hannah en Elliot maar later over andere onderwerpen die de interesse van Mickey hebben. Veel meer dan een onderhoudende schets van een joodse familie in New York is er na dertig jaar niet van overgebleven. Wellicht is de mensheid op relatiegebied toch iets volwassener geworden.
Hier de trailer.

maandag 27 juni 2016

Het Filosofisch Kwintet over onafhankelijkheid van staten, Tolhuistuin, 26 juni 2016


Neus in de boter blijkt een wassen neus

Het Filosofisch Kwintet belicht dit jaar het thema onafhankelijkheid. In februari werd de aftrap gegeven met een programma over journalistieke onafhankelijkheid. Gister op het Mag het licht aan festival in Amsterdam Noord ging het over de onafhankelijkheid van staten en naties. Clairy Polak zegt dat we na het Brexit met onze neus in de boter vallen. Helaas blijft ze daar ver van. Ze begint heel formeel met een vraag over de betekenis van het paspoort aan de drie gasten.

Letterkundige Joep Leerssen weet dat men daarmee naar het buitenland kan en weer terug. Historicus Thijs Kleinpaste noemt het een privilege dat tegelijk een verplichting met zich mee brengt. Volgens politiek filosoof Melvin Schut is het een formeel praktisch instrument. Ad Verbrugge gaat terug naar de oorsprong van het woord: het passeren van de poort die in onze tijd een landsgrens is.

Polak wil vervolgens horen of men zich een Nederlander voelt.
Volgens Leerssen is dat een van zijn identiteiten, die afhankelijk van de situatie op de voorgrond treedt. Schut wil niet praten over gevoelens. Dat doet men in Zomergasten. Kleinpaste zegt dat het niet altijd even genoeglijk is om Nederlander te zijn.
Verbrugge onderscheidt de begrippen volk, staat en natie. Volk staat voor een innerlijk aspect, staat voor een institutioneel gegeven, waarbij de machtsvraag gesteld wordt en natie zegt iets over de plaats, waar volk en staat elkaar tegenkomen, zoals op de Krim.

Polak komt het voorbeeld van de Catalanen die zich willen losmaken van de Spaanse staat omdat ze zich een volk voelen. Ze willen commentaren vanuit dit gezichtspunt over het Brexit.
Er ontstaat een meningsverschil tussen Kleinpaste en Schut over het motief van de Britten dat ten grondslag lag aan hun vertrek uit de Europese Unie. Volgens Kleinpaste ging het om verbeeldingskracht, gebaseerd op hun heroïsche geschiedenis, volgens Schut om een verschil van mening over het inrichten van het zelfbestuur. Beiden denken dat de Britten zich bekneld voelden in het korset van de EU.

In plaats van hierop verder te gaan, keert Polak terug naar het sjabloon dat aan het onderwerp ten grondslag ligt en wil verder met het nationalisme.
Leerssen wijst erop dat eurofobie aan de stemming in Groot Brittannië heeft bijgedragen. Farage wees meteen op Frankrijk dat straks ook zijn kans moet grijpen.  
Naast xenofobie speelde ook verzet tegen de hoge heren mee, vooral omdat die niet tot het eigen volk behoorden. Dit soort etnocentrisme ziet we overal bij afscheidingsbewegingen in Europa.
Schut heeft een andere opvatting over nationalisme, namelijk jezelf teveel geven dan gerechtvaardigd is om de eigen belangen te verdedigen. Hij beschouwt het populisme als een verdediging van het belang van het volk tegen de elite.
Verbrugge probeert, zoals hij vaker doet, de tegenstellingen te overbruggen met het benadrukken van de overeenkomsten, namelijk de vervreemding van de politieke orde.

Polak vraagt zich af waarom men in het ene geval wel in opstand komt en in het andere geval niet. Wat m.a.w. het verschil is tussen Engelsen en Friezen.
Leerssen komt met een verhelderend onderscheid tussen patriottisme en nationalisme. In het tweede geval heeft men een vijand nodig, zoals de Britten die in de EU vonden.
Kleinpaste maakt het beeld weer waziger door te stellen dat het patriottisme zich op Europees niveau kan voorkomen. Als de natie samenvalt met de staat wordt het nationalisme verbeten. Het nationaal idealisme moet worden gewantrouwd.
Schut is het daarmee niet eens. Hij ziet de Europese Unie als een superstaat in plaats van een intergouvernementele organisatie zoals de Navo.

Polak wil weg van de sentimenten en het nationalisme en brengt een nieuw element in. Is het streven naar onafhankelijkheid nog wel vol te houden in een globaliserende wereld?
Volgens Schut wel, want onafhankelijkheid is altijd betrekkelijk.
Leerssen denkt van niet. Staten zijn al heel lang gebonden aan internationale verdragen die de macht van het parlement tot een wassen neus maken. Als tegenreactie zet men in op nationale symbolen als de vlag. Kleinpaste herkent deze dynamiek, maar denkt toch dat een andere politieke keuze mogelijk is. Verbrugge legt uit dat er in de jaren negentig een sterke ontgrenzing optrad op economisch en technisch gebied.
Leerssen wijst erop dat instituties werden opgeheven en een risicomaatschappij het leven zag die weer leidde tot een grotere behoefte aan zekerheid.

Tenslotte wil Polak weten waar we ons bevinden en hoe we verder moeten.
Schut denkt dat de soevereine gedachte nog steeds aanwezig is en dat die het beste in een intergouvernementele organisatie tot zijn recht komt, waarin de macht door de burgers gecontroleerd wordt. Kleinpaste vindt dat te optimistisch. Hij vindt de opkomst van het nationalisme bedreigend voor het individualisme. Daarom moet links herinvesteren in het publieke domein. Leerssen denkt dat we op een tweesprong staan. De onthutsing in het Verenigd Koninkrijk bewijst dat er veel te zeggen valt voor een bestuur op verschillende niveaus waarbij de EU zich alleen met internationale kwesties bezig houdt. Alleen vinden dat er meer van onderop bestuurd moet worden.

Het was jammer dat de uitzending te veel bleef hangen in begripskaders, terwijl het Brexit juist een kans bood om nader in te gaan op nieuwe vormen van bestuur, zoals een stadsbestuur. Pas aan het eind werd daar iets over gezegd. Een festival met de naam Mag het licht aan doet meer verwachten dan een schermutseling over begrippen. De oplossing moet m.i. gezocht worden in lokale autonomie onder de paraplu van een groter verband en daar dient aan gewerkt te worden in plaats van gefilosofeerd. 

In juli volgen nog uitzendingen over onafhankelijkheid, bezien vanuit de financiële sector, de rechtspraak, de politiek en de wetenschap. Het Filosofisch Kwintet krijgt nog vier kansen om van de wassen neus af te komen.

Hier mijn verslag van de uitzending over journalistieke onafhankelijkheid.

Recensie: Muidhond (2015), Inge Schilperoord


Wereld van een pedofiel grijpt lezer naar de strot

Het debuut van Inge Schilperoord mag met recht een succes genoemd worden. Haar portret van de pedofiele Jonathan, die al eerder opgepakt is geweest na misbruik van een jong meisje, toont heel scherp het innerlijk conflict waaronder hij gebukt gaat. In de roman zijn verschillende elementen daartoe zodanig gerangschikt waarmee de spanning tot bijna ondraaglijke hoogte wordt opgevoerd. Hoewel Schilperoord aan het eind enigszins over haar grens gaat, is haar schets van de wereld van de dertiger die op jonge meisjes valt - iemand die in de volksmond als verkrachter wordt gelabeld en weggezet - een knap staaltje inleving.

Het gevaar voor Jonathan gaat uit van het tienjarige buurmeisje Elke, dat na de voorlopige vrijlating van Jonathan uit de gevangenis, met haar moeder naast de moeder van Jonathan is komen wonen en zijn goede bedoelingen zwaar op de proef stelt. Hoewel hij nauwgezet de opdrachten uit het werkboek doet, die hij begon met de gevangenispsycholoog, komt zij toch steeds naderbij. Elke is een duivelin in de gestalte van een lief schattig meisje, dat door Schilperoord zodanig beschreven wordt dat zelfs iemand met de grootste afschuw van pedofielen bijna bezwijkt onder de zinnelijkheid die Elke met haar staartje in haar haar, haar krappe shirtje en dito badstoffen broekje uitstraalt.

Twee dieren vormen de schakel tussen het meisje en de man. Op de eerste plaats de hond Mink die door het meisje is uitgelaten in de tijd dat Jonathan in de gevangenis zat. Daarnaast een gewonde zeelt die Jonathan na terugkomst uit de gevangenis in het meer vangt. Elke bekijkt de vis, ook wel een muidhond genoemd, die Jonathan in en aquarium op zijn kamer zal houden tot hij weer hersteld is. Het dier vormt de aanleiding dat Elke zijn kamer bezoekt. Hoewel zij door haar onzichtbare en weinig zorgzame moeder gewaarschuwd is voor haar buurman, kan ze niet bevatten dat iemand als Jonathan iets slechts in de zin kan hebben.

Adembenemend zijn de ontmoetingen op de kamer, waarbij Jonathan voelbaar steeds verder in het nauw komt. De hitte zorgt voor druk en geeft dreiging aan de gebeurtenissen. De christelijke moeder van Jonathan houdt haar zoon van een afstandje in het oog, maar heeft geen kracht heeft om hem te sturen. Ze heeft zelf al moeite met ademen, drinkt graag een glaasje wijn en kijkt naar de televisie als ze niet met haar zoon een kaartje legt. Ze wil graag dat Jonathan naar een bijbelclub gaat waar hij anderen ontmoet die zijn sociale isolement kunnen verminderen, maar angst houdt Jonathan tegen. In de gevangenis was hij onder handen genomen door potige lieden.

Als de spanning nauwelijks meer te dragen is, wil hij de gevangenispsycholoog consulteren, met wie hij eerder de delictanalyse deed, maar uiteindelijk komt het er niet van. Zijn conflict komt voort uit een disbalans tussen hoofd en hart. Jonathan probeert een uitweg te vinden door de natuur in te gaan en goed voor anderen te zorgen, maar raakt daardoor het contact met zijn eigen gevoel kwijt. Zijn behoefte het leven te controleren legt het af bij het gevaar dat Elke straks vanwege een verhuizing zal verdwijnen. De door hem gemaakte spanningsgrafiek gaat daarop de prullenbak in. 

Schilperoord schrijft naturalistisch en bouwt de spanning goed op. Ze doseert het eerdere misbruik van Betsy, waardoor de lezer steeds meer het keurslijf voelt dat Jonathan ervaart. Ze beschrijft de seksuele neiging van Jonathan op een manier die, ook al zijn de filmrechten al verkocht, niet gemakkelijk in een film over te brengen is en dat is een compliment. De diepgang van zijn gevoelens kan alleen in taal duidelijk verbeeld worden. De moeite van Jonathan om zich staande te houden doet denken aan Raskolnikov in De idioot van Dostojevski, al gaat Schilperoord op het eind over de top, bijvoorbeeld in de beschrijving van de gemoedstoestand van Jonathan nadat hij een brief van Justitie heeft gekregen met de mededeling dat zijn zaak hervat wordt:
Hij duwde zijn voortanden in zijn lip, schoof over het matras naar de stoffige nauwte tussen de muur en de spijlen van zijn bed, had zijn lichaam daarin willen kantelen, laten vallen als in een ravijn, maar er was nergens verlossing.’
Het eind is te zoekend en soms is ook het taalgebruik wat te netjes, bijvoorbeeld als Jonathan zich afvraagt waarover hij op zijn kamer met Elke zal praten: ‘Hij had haar graag over zijn dromen verteld, maar kon geen geschikte bedenken. Die van vannacht, zijn droom over Betsy, was natuurlijk niet passend.’  

Daartegenover staan vele levensechte beschrijvingen van de intensiteit die hij
met Elke beleeft in zijn kamer met de muidhond, die symbool staat voor zijn eigen mislukkende poging tot herstel, bijvoorbeeld als Elke met een zakje chips op de grond voor hem gaat zitten. ‘Hij keek toe hoe ze at, keek naar iedere beweging die ze maakte. (…) Gespannen volgde hij de ademhaling onder haar shirt. Zo dichtbij was ze nog nooit geweest. Zijn hart bonkte in zijn borst. Haar oor was ook heel vlakbij.’ Door dit soort zinderende zinnen grijpt Muidhond de lezer bij de strot

Hier mijn verslag van het gesprek dat Wim Brands met Inge Schilperoord over Muidhond had.