Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.


Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

zaterdag 25 oktober 2014

De brief van de burgemeester (2014), documentaire van Marlou van den Berge



Slechte samenwerking tussen gemeente en woningbouwvereniging dupeert dorpsbewoners

Aan de Middenweg in Finsterwolde is het niet pluis. In die Oost-Groningse straat is van alles mis. Burgemeester Pieter Smit is de burenruzies beu, vervuiling en de vereenzaming zat en organiseert een Eigen kracht conferentie, een vorm van hulp die ik leerde kennen in een boek van Willem de Jong over kinderen met opvoedproblemen, om de problemen op te lossen. Smit stuurt brieven aan de bewoners van de Middenweg en omgeving, waarin hij melding maakt van de procedure om samen eens met elkaar om de tafel te gaan zitten. Een onafhankelijk coördinator van de organisatie Eigen kracht komt vooraf de klachten peilen.

Marlou van den Berge loopt met de sympathieke Jan Drewes mee, waardoor we meteen de straatbevolking een beetje leren kennen. Hij praat met een bewoonster die niet weet waar de brief over gaat, al ligt er wel veel rommel op straat. De mensen van woning nr. 11, Alcatraz genoemd, hebben zich achter muren en met cameratoezicht afgezonderd na ruzie met de anderen. Een buurman die rugproblemen heeft en zelf wat klust, zegt met een kwaaie blik in zijn ogen dat hij ze weg wil schieten. De flatjes voor jongeren bevinden zich in verpauperde staat. Marcel, de werkloze zoon van een van de bewoners, is hondenbezitter en heroïnegebruiker en vertelt dat zijn buurman zijn afval gewoon naar beneden gooit. Op nr. 8 woont een vereenzaamde vrouw in een krot die geen contact meer met de buurt maakt. Drewes belt bij haar aan maar wordt niet opengedaan. Dan gaat hij maar naar Smit voor een terugkoppeling. Zorgcoördinator Adri is bij het gesprek aanwezig en zegt dat de bewoonster van nr. 8 al twintig jaar geen mensen van de woningbouwvereniging Acantus toelaat en dat hij haar niet kan dwingen.

Tijdens de conferentie horen we dat de bewoners een plan willen voor de flats. Adrie zegt dat dit eraan komt en dat ze nog even geduld moeten hebben. Hij wil ook contact leggen met de mevrouw van nr. 8. De politie kan weinig doen tegen nr. 11. De mensen in de zaal pruimen hen niet meer en presenteren hun eigen plan om de vervuiling tekeer te gaan. Jan Drewes meldt nogal onverwacht en tot verbazing van de bewoners dat zijn taak erop zit.

Een straatbewoonster vreest na afloop dat ze aan het lijntje gehouden worden. Ze verwijderen de rommel dumpen die in een door de gemeente geplaatste container. Ze schrijven een brief aan de vrouw van nr. 8 om hun zorgen mee te delen en Acantus toe te laten. Vervolgens gaan ze naar een informatieavond van Acantus, die vreemd genoeg verstek liet gaan bij de conferentie. De directeur wordt het vuur aan de schenen gelegd. Een paar bewoonsters hebben daarna nog een gesprek gehad met de mevrouw van nr. 8, die zich aangevallen voelde. Adrie is ook binnen geweest en zegt dat het daar redelijk schoon oogde.   

Twee maanden later zit Marcel nog steeds met zijn honden in een krot. Over sloop, nodig om een oprotpremie te incasseren, heeft hij nog niets gehoord. Acantus legde de dakpannen goed op het huis van nr. 8. De bewoners gaan nog eens naar het gemeentehuis om te overleggen met de burgemeester en de zorgmanager van Acantus. Tijdens een nagesprek denken veel vrouwen uit de straat dat ze aan het lijntje worden gehouden. Marcel daarentegen bezichtigt een nieuwe woning. Het lijkt me vooral de slechte samenwerking tussen gemeente en de lakse woningbouwvereniging die de bewoners dupeert. Wellicht kunnen die nog eens een onderlinge conferentie houden.  

Hier mijn recensie van Het verwende kind syndroom van Willem de Jong waarin gewezen wordt op de mogelijkheid met behulp van de organisatie Eigen kracht een lotgenotengroep op te zetten. Hier de trailer van de documentaire.

vrijdag 24 oktober 2014

Recensie: Het labyrint van meneer Wolffers (2014), Piet Meeuse



Oud leraar gevangen in verhalen

In Het labyrint van meneer Wolffers met als ondertitel Roman in twaalf wandelingen onderhoudt essayist Piet Meeuse ons over de betekenis en de waarde van verhalen. Hij doet dit aan de hand van rolstoelwandelingen die de eerdere geschiedenisstudent en vaak beroofde ex-sigarenboer Bart Schaap door het centrum van Amsterdam maakt met de oude meneer Wolffers (1927). Als deze in het verzorgingstehuis overlijdt laat hij Schaap een rode map na. De inhoud van de map wordt achterin het boek geopenbaard, eerst gaan we aan de wandel.

De schrandere en erudiete maar sociaal beperkte Wolffers haalt heel wat overhoop als het over verhalen gaat. Ze staan om te beginnen in een gespannen verhouding met de werkelijkheid, die men verder nooit meer kan kennen. Een verhaal over een beroving van een sigarenzaak wordt bij voorbeeld steeds onduidelijker als advocaten diep erop doorgaan om te weten wat er precies gebeurd is. Bij het lezen van verhalen is daarnaast altijd sprake van the willing suspension of disbelief: om erin te geloven moet men de werkelijkheid tussen haken zetten. Dat was volgens Wolffers ook het baanbrekende van literatuur.

Omdat Wolffers weinig loslaat over zichzelf, zoekt Schaap naar informatie over zijn wandelmaatje op het internet. Hij komt aan de weet dat de man in 1927 geboren is en leraar Nederlands is geweest op een school in Haarlem en daarna actief was als literair recensent. Na 1980 is geen informatie meer over hem beschikbaar.

Wolffers gaat tijdens zijn rolstoelcolleges verder in op morele kwesties die door verhalen opgeroepen worden. Vertellen is altijd een selectie en daarom een vervalsing van de werkelijkheid. Omdat goed en kwaad met elkaar samenhangen, heeft het geen zin hard tegen onrecht te protesteren. Schaap, die soms door de bomen het bos niet meer ziet, brengt daar tegenin dat het soms toch wel goed is actie te voeren tegen misstanden in de wereld zoals de Zweedse documentairemaker Fredrik Gertten deed in de documentaire Bananas. Wolffers waarschuwt echter tegen teveel actie, omdat die al gauw uitgaat van vaste overtuigingen terwijl de waarheid niet zo gemakkelijk te vatten is en vaak anders is dan men denkt.

De relatie tussen woord en beeld brengt Wolffers op beeldvorming, dat een krachtig medium is om het publiek te bespelen. Iemand die een duidelijk beeld neerzet is altijd bezig met een versimpeling van de werkelijkheid. Het verhaal is tegenwoordig een consumptieartikel geworden en heeft zijn inhoud opgeofferd aan de vorm. Zie de storytelling door reclamemakers, die een soort oplichters zijn, zoals Schaap vermoedt, hetgeen bevestigd wordt door Wolffers: ‘Daar komt het wel op neer: het is hun vak om je te verleiden tot uitgaven die je zonder hun gladde praatjes niet gedaan zou hebben.’

Wolffers die onvoorspelbaarheid als een kenmerk van verhalen ziet, vreest dat dit in onze wereld met zijn nadruk op technische perfectie steeds meer een probleem wordt. Schrijvers gaan steeds meer uit van sjablonen. De verteller is daarmee niet meer dienstbaar aan het verhaal, maar maakt het dienstbaar aan zijn eigen prestatie. De huidige literatuur heeft ons weliswaar kritisch, maar tegelijk dakloos gemaakt, waardoor we niet meer - zoals gelovigen in een kalifaat nog wel kunnen - in onze verhalen kunnen wonen. Tegelijk zitten we gevangen in onze verhalen. Zoals de titel al aangeeft herbergt elk verhaal weer andere verhalen. ‘Daar komt geen einde aan: het is een labyrint zonder uitgang.’ Over de toekomst is Wolffers somber. Onze innerlijke ruimte wordt in cyberspace tot een technische uitvoering en vrijheid is verdwenen.

De constructie die Meeuse neerlegt deed me enigszins denken aan Zen en de kunst van het motoronderhoud van Robert Pirsig, waarin een vader zijn zoon iets over kwaliteit probeert bij te brengen tijdens een motorvakantie in de Verenigde Staten. Bart Schaap en meneer Wolffers doen het wat rustiger aan. Tijdens de wandeling door een deel van het centrum pauzeren ze altijd voor een kopje koffie. Hoewel Wolffers niet bepaald een zonnig karakter heeft, is er altijd ruimte voor een kwinkslag, die deze in een paar volzinnen soms moeilijk te behappen materie beter verteerbaar maakt.

De map met krantenknipsels waarin persoonlijke gebeurtenissen na 1980 ook een plaats vinden, maken de lezer min of meer duidelijk waarom Wolffers in een labyrint terecht gekomen is. Het labyrint van meneer Wolffers kent een boeiende vorm zonder dat de inhoud overbodig gemaakt is. Het zet aan tot nadenken over de manier waarop we onze verhalen beter tot hun recht kunnen laten komen.

Hier mijn bespreking van de documentaire Bananas.   

donderdag 23 oktober 2014

Mark Schaevers over Orgelman, VPRO-Boeken, 19 oktober 2014



De Belgische Anne Frank legde de gruwel van de oorlog in schilderijen vast

De Vlaamse journalist en schrijver Mark Schaevers schreef Orgelman over het schildersleven van de Duitse schilder Felix Nussbaum, die een groot deel van de oorlog ondergedoken zat in Brussel en daar de gruwelen van de oorlog schilderde. Dit werk is na de oorlog teruggevonden.

De druk pratende Schaevers, die, zoals hij zegt, dubbel probeert te leven, kwam op het spoor van zijn onderwerp omdat hij eerder schreef over Duitse auteurs die in exil verkeerden zoals Joseph Roth en Stefan Zweig en daardoor in 2001 schilderijen van Nussbaum zag die hij meteen vergeleek met het dagboek van Anne Frank. Helaas is het huis waar Nussbaum die schilderijen maakte afgebroken. De Brusselse overheid had geen idee wie ze in hun gemeente huisvestte. De vierhonderd werken belandden in Osnabrück, vier ervan hangen in het Joods Museum in Brussel.  

Wim Brands zegt dat de vergelijking tussen Anne Frank en Nussbaum opgaat tot in Auschwitz.
Schaevers vertelt dat in 1940 alle joden in België waaronder Nussbaum werden opgepakt en naar een kamp in Frankrijk gestuurd. Zoals Primo Levi een beeld schetste van het concentratiekamp in Is dit een mens?, zo schilderde Nussbaum deze ontluisterende werkelijkheid. Het moet een slag voor hem geweest zijn om in Auschwitz aan te komen en al te weten wat hij daar zou aantreffen en wat hem te wachten stond. In zijn verbeelding had hij de ontmenselijking al geregistreerd.

Brands vraagt wat Nussbaum bezielde om later, ondergedoken in Brussel, de ellende te blijven schilderen.
Schaevers zegt dat hij erdoor bezield werd. In 1931 was zijn werk al een sensatie in de New York Times, maar de bejubelde viel in een zwart gat. Hij werd een orgelman zonder echo. Kunst is een afspraak tussen kunstenaar en publiek, doceert Schaevers en die viel in duigen.

Brands moet denken aan een schrijver die, gevraagd of hij zou doorschrijven op een onbewoond eiland, dit bevestigde, hoewel het onwaarschijnlijk zou zijn dat hij dit zou doen, maar Nussbaum was wel zo iemand.
Schaevers antwoordt dat diens oorlogsdoeken een onvergetelijke blik werpen op de achtervolgde die men niet meer loslaat. In die zin is er sprake van een overlevering. De exil kunstenaars maakten hun kunst in extreme omstandigheden. Stefan Zweig schreef in New York dat zijn concentratie daar gewond was. Nussbaum schilderde met de gekwetstheid van de onderduiker. De schotwond in zijn hart wist hij op het doek over te brengen.  

Brands onderschrijft dat hij met zijn salto mortale toch nog iets wist te doen.
Volgens Schaevers schilderde Nussbaum de ondergang van de wereld. Hij putte hoop uit het feit dat de kunst zou overleven en voegde zelfs een komische noot toe, zoals een partituur in een hoekje van een doek, dat door een suppoost in Osnabrück werd herkend als The Lambeth Walk uit de Roaring Thirthies en door hem meegezongen.

Brands moet denken aan een man die een gesprek voert en dan door de telefoon te horen krijgt dat hij niet lang meer te leven heeft, maar vervolgens het gesprek hervat alsof er niets aan de hand is. Hij vraagt nogmaals wat Nussbaum toch gedreven heeft.   
Schaevers meent dat het levensdrift is.
Met de dood in de ogen, voegt Brands daar aan toe.

woensdag 22 oktober 2014

Filmrecensie: Once upon a time in Anatolia (2011), Nuri Bilge Ceylan



Intrigerende zoektocht rond verlies en gemiste kansen

De een na laatste film van Nuri Bilge Ceylan kan zich meten met de lengte van Wintersleep en handelt over een zoektocht naar het lichaam van een vermoorde man die ergens begraven is maar dat moeilijk te vinden is omdat de dader niet meer precies waar hij het slachtoffer begraven heeft. Meer dan dat is Once upon a time in Anatolia een film over de nogal uitzichtloze levens van de personen die zich met de zoektocht bezig houden.

In de avondschemering zien we drie auto’s over de weg op ons afkomen. In de eerste auto zit politiechef Naci naast zijn chauffeur Arab Ali en achterin zitten dokter Celan en een bewaker met Kenan in hun midden, die een man vermoordde omdat hij diens vaderschap betwistte. Terwijl het gesprek gaat over kaas en buffelmelk, houdt Kenan zich afzijdig. Zijn gezicht heeft, anders dan de andere mannen, veel weg van de lijdende Christus. In de tweede auto zit de officier van justitie die uit Ankara gekomen is en in de legerjeep met zwaailicht zit tenslotte een andere verdachte, Ramazan, de broer van Kenan.

De tocht naar het lijk zou een peulenschil moeten zijn, waarna de officier weer terug kan naar zijn woonplaats en de politiechef klaar is met zijn onderzoek. Omdat Kenan echter in een dronken bui verkeerde tijdens de moord, kan hij de plek waar het lijk begraven ligt niet aanwijzen en zoeken ze door tot de volgende ochtend. De nacht brengen ze door in het huis van de burgemeester van een dorp in de buurt, die en passant aan de officier vraagt of die een goed woordje kan doen bij de gouverneur om geld los te krijgen voor de bouw van een mortuarium. Een van de mooiste scènes in de film is als de dochter van de burgemeester tijdens een stroomuitval thee serveert in het schijnsel van een lamp die op haar dienblad staat. De mannen zijn zeer onder de indruk van haar schoonheid. De officier vindt het zelfs jammer dat zo’n mooie jonge vrouw wegkwijnt in zo’n dorp.

Nuri Bilge Ceylan filmt slow, waardoor we extra kunnen genieten van de mooie beelden van het heuvellandschap met graanvelden, van de regens die over de vlakte razen, van de wind die een appeltje meeneemt van de boom naar een stroompje waar het tot stilstand komt bij andere, eerder gevallen appels. Ieder mens heeft zijn eigen trauma’s, lijkt Ceylan daarmee te zeggen. De dokter is gescheiden en heeft nooit kinderen gekregen. De politiechef heeft een zoon thuis die niet helemaal goed is en vraagt de dokter of hij medicijnen voor de jongen kan uitschrijven. Zelf houdt hij het thuis niet zo lang uit, maar ook in diensttijd is hij snel nijdig, overstuur. De officier lijkt op Clark Gable, heeft prostaatproblemen en is getraumatiseerd over zijn vrouw die na de bevalling van hun kind een eind aan haar leven maakte. Hij vertelt erover aan de dokter die wil weten wat de doodsoorzaak was en niet gelooft aan een hartaanval, maar denkt aan een overdosis aan medicijnen, zoals digoxine, waarop de officier erkent dat er huwelijksproblemen waren.

Als het slachtoffer van Kenan is opgegraven en naar het ziekenhuis in de stad vervoerd voor een autopsie is de dokter niet te beroerd om, net als de officier, de waarheid over de moord te negeren. Hij kijkt door het raam de vrouw en de zoon van het slachtoffer na die met de persoonlijke bezittingen van hun man en vader in de heuvels rond een schoolplein verdwijnen, zoals, kun je misschien zeggen, alles verdwijnt en alleen de last blijft, verder gedragen door de kinderen, door de volgende generaties. Het is een thema dat nadondert, dit besef van verlies en gemiste kansen, zoals er zoveel zijn in een leven.   

Hier de trailer.

dinsdag 21 oktober 2014

Europese smaak als wapen, Tegenlicht, 19 oktober 2014



Ode an die Freude

De negatieve berichtgeving over Europa, die als een oude dame wordt gezien in die in het verleden leeft en weinig heeft toe te voegen aan de toekomst van de wereld, krijgt een tegenwicht in het betoog van de Vlaamse politicoloog Jonathan Holslag, die smaak, kwaliteit en vreugde als unieke wapens ziet waarmee Europa weer toonaangevend kan worden. Hij schreef daarover het boek De kracht van het paradijs. In het lab van Tegenlicht krijgt Holslag ruim de tijd om, aangevuld met videobeelden, zijn ideeën hierover uiteen te zetten.

Holslag begint met een citaat uit een dagboek van Harry Graf Kessler uit Berlijn die in 1897 schreef over een disbalans tussen lijden en vreugde en pleitte voor meer levenskracht in een tijd waarin de mensheid, zoals altijd, heen en weer geslingerd werd tussen hoop en vrees. Vervolgens illustreert Holslag het idee van vooruitgang aan de hand van het schilderij La Frileuse (zie foto) door Jan van Beers waarop een vrouw in een bontjas geportretteerd wordt, die welvaart en frivoliteit uitdrukt, brutaal naar ons lonkt en daarmee het vermogen van de burgerij toont om stijlvol te pronken. Die sfeer ziet Holslag terug op de Wereldtentoonstelling in Parijs in 1900, waarin de technische vooruitgang getoond werd en de hemel haalbaar werd geacht. Omdat dit echter alleen mogelijk was voor de toplaag van de burgerij, begon de massa te morren hetgeen leidde tot opstanden, onrust en uiteindelijk tot de Eerste Wereldoorlog.

Holslag ziet dat dit vooruitgangsgeloof wordt getorpedeerd door de scepsis van populistische politici, die weer teruggrijpen op een politiek, waarbij nationalistische belangen voorop staan, net als in de negentiende eeuw toen Europa de Chinezen dwongen hun grenzen te openen voor de buitenlandse handel, hetgeen te zien is in de film The opium war (1997). Inmiddels is de situatie echter omgekeerd zoals hilarische shoplogs laten zien waarin knappe jonge vrouwen goedkope Chinese producten aanprijzen, zoals een lijmpistool. Volgens Holslag haalt de import en de koop van deze producten de eigen economie onderuit en schept het een cultuur van kwantiteit.

Hij ging in Europa kijken waar kwaliteitseisen nog wel gehanteerd worden en kwam uit in Oostenrijk, dat banen schiep in de maakindustrie. Omdat consumenten welbevinden daar belangrijk vinden, willen die investeren in duurzame producten. Arbeid is niet alleen een kostenpost maar ook een bron van vreugde. Het pleidooi van Holslag voor een beschavingssprong kan alleen gerealiseerd worden als men ook elders in Europa ook dit soort keuzes maakt. Europeanen weten wel wat ze willen, stelt hij, namelijk duurzame, lokaal geproduceerde en luxe producten, maar krijgen nu alleen nog de verpakking ervan. Zolang men zich daarmee tevreden stelt, kan men geen kritische evaluatie maken. Een barbier stelt dat vakmanschap heel wat meer brengt dan de massaproducten uit de dumpshops. Holslag zou een sticker daarop willen die zegt dat deze producten schade toebrengen aan de economie. Het vraagt volgens hem ook politieke durf om kwaliteit voorop te stellen. We zouden onze financiële tegoeden in dit soort industrie kunnen steken in plaats van die van de ene naar de andere zeepbel te slepen. Het zou ook een signaal aan China kunnen zijn om kwalitatief betere producten te maken en niet de rotzooi zoals een imitatie Zwitsers zakmes waarvan de bladen gemakkelijk buigen en afbreken. Kwaliteit is vaak niet in geld uit te drukken, zoals een bedrijf dat lokaal geproduceerde materialen gebruikt of een bevlogen onderwijzer die zijn leerlingen levenskunst bijbrengt. Holslag wil de schoonheid monetariseren in plaats van zich te fixeren op materie alleen. Dit versterkt de positie van Europa en vernieuwt de globalisering waarin lokale producten worden uitgewisseld. De wereld staat wat dit betreft op een keerpunt dat bepalend is voor de wereldvrede. De uitvoering van Beethovens Ode an die Freude vormt dan ook een geschikt einde van zijn boeiende betoog. Nu de politiek nog. Het lijkt me vooral een onderwerp voor D'66 om op te pakken. 

Hier meer informatie op de site van Tegenlicht. De meet up in Pakhuis de Zwijger is zoals gewoonlijk komende woensdagavond. Genoeg stof om over te praten, lijkt me. Hoewel men kan twijfelen aan de levensvatbaarheid van zijn ideeën over monetarisering van de schoonheid binnen het kapitalistisch systeem, doorbreekt Holslag tenminste het defaitisme over Europa.