Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.


Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

dinsdag 31 maart 2015

Eerste kwartaalbericht Allerhande maar vooral literatuur, 31 maart 2015



Op naar de tweede helft van dit blog

De tijd vliegt. Er gebeurt zoveel in de wereld dat een tweejaarlijks bericht niet toereikend is. Daarom voor de eerste keer een kwartaaloverzicht. Ik put vooral uit mijn artikelen van de laatste maand. Daarin ging het onder meer over de toekomst van onze maatschappij. De Westerse welgezegd, want de ontwikkelingen in het Midden Oosten tarten elke beschrijving. De Arabische lente baarde vooral monsters. De val van een dictatuur levert natuurlijk niet meteen democratische verhoudingen op, zei iemand laatst op televisie van wie ik de naam vergeten ben. Het Oosten van Europa is een ander verhaal. De Russische bevolking wordt voorgelogen door Poetin, die zich in een paar jaar tijd meester heeft gemaakt van de kranten en de televisie. Haat zaaien tegen alles wat niet Russisch is, is regel. Gary Kasparov vergeleek de dictator in Buitenhof met Hitler. Peter Pomerantsev werkte tien jaar bij de Russische media en schreef er een boek over met de veelzeggende titel Niets is waar en alles is mogelijk.

Wij in het Westen hebben andere problemen. De digitalisering van de maatschappij zou een zegen kunnen zijn, waardoor mensen zich meer met hobby’s en vrijwilligerswerk zouden kunnen bezighouden, maar geeft in plaats daarvan kopzorgen. Auke Hulst schetste – onder andere op grond van het Banking blog van Joris Luyendijk - in zijn roman Slaap zacht, Johnny Idaho (2014) een samenleving waarin de macht in handen is gekomen van enkelen. Gedeeltelijk is dit al zo. De meerderheid van de mensen is de dupe van het kapitaal dat vrij over de wereld reist. De bezitters daarvan – denk aan Sun Capital – zijn vrij om te doen en te laten wat ze willen. Zolang het kapitaal aan de macht is, duurt de Verelendung op alle vlakken voort. Ik denk alleen al aan al die huisartsen die gemangeld worden door de zorgverzekeraars.

De immigratie wordt door partijen met de vrijheid in hun vaandel als een steeds groter probleem gezien, maar hun antwoord om de grenzen te sluiten leidt tot nog meer problemen. Uiteindelijk komt het neer op een eerlijke verdeling van de welvaart en de aardse hulpbronnen. Het zou mooi zijn als zonne-energie voor iedereen gratis beschikbaar zou komen. Dat zou veel conflicten schelen. Oliemaatschappijen en overheid hebben echter baat bij schaarste en winsten, vandaar dat de Groningers er bekaaid vanaf komen. 

Ik vraag me wel eens af waarom men in Nederland niet luider demonstreert. Het protest van de studenten in het Maagdenhuis wordt nauwelijks gehoord. De antwoord luidt dat de burger zelf in het complot zit. Uit het noordwesten van Europa hoeven we weinig te verwachten. Transitiedeskundige Jan Rotmans heeft nog tien keer zoveel mensen nodig om de weegschaal naar de goede kant te laten doorslaan (zie Tegenlicht, 23 februari). Het zijn voorlopig de Zuid Europeanen die zich laten horen. Syriza in Griekenland en Podemos in Spanje winnen aan invloed. Pas als mensen echt in nood komen blijken ze bereid risico’s te nemen.   

In de documentaire Two raging grannies (2013) proberen twee oudere Amerikaanse dames de vinger op de juiste plek te leggen en gaan kritiek niet uit de weg. Hoe komt het toch dat de economie zo allesbepalend is? De oude, maar taaie bejaarden bekommeren zich om de wereld en ons nageslacht, zoals elk normaal mens zou moeten doen. Een deel van het probleem bestaat uit de inkapseling van de kritiek, zoals filosoof Herbert Marcuse in de zestiger jaren al vaststelde. Het boek Het digitale proletariaat van Hans Schnitzler wordt zonder probleem door Bol.com geleverd. In gesprek met Wim Brands haalde hij Aldous Huxley aan die stelde dat onze moderne maatschappij zoveel informatie aanbiedt dat mensen onverschillig worden.

Er gebeurt wel het nodige op het gebied van emancipatie en bewustzijn. De tijd dat er nog volop gerookt werd is nog niet zo lang voorbij. Het bewustzijn kan zich snel aanpassen, maakte Frans Bromet duidelijk in zijn documentaire Brandend verlangen. Zo is het ook met de rolverdeling tussen de seksen en de emancipatie van mensen met geestelijke problemen. André Klukhuhn sprak in gesprek met Wim Brands op 8 maart j.l. bemoedigende woorden over het dichten van de kloof tussen normaal en abnormaal.  

Zelf richt ik me in toenemende mate op het theater, dat levendiger is dan het lezen van boeken, al staat  literatuur vaak wel aan de basis ervan. Theater heeft weer een ander kwaliteiten. De neerslag van wat theatermakers belangrijk vinden om aan het publiek te tonen speelt zich direct onder de ogen af.  Ik heb enorm genoten van Alsemkomt, dat de kritiek op ons doen en laten op Brechtiaanse wijze luid en monter uitte.  

Het is niet mijn bedoeling om te gaan preken. Temeer niet omdat de gevaren altijd uit onverhoedse hoeken komen en de toekomst altijd anders is dan we denken. Ieder zet zijn eigen beentje voort en samen komen we een eind. Op naar de tweede helft van dit decennium en van dit blog! 




maandag 30 maart 2015

Brandend verlangen (2014), documentaire van Frans Bromet



Roken is dodelijker dan men denkt

In de aangrijpende documentaire met de sterke titel Brandend verlangen ondervraagt Frans Bromet op zijn gebruikelijke ietwat provocerende wijze een aantal longkankerpatiënten over hun rookgewoonten. Zelf zegt hij dat hij ook veel gerookt heeft, maar lang geleden is gestopt anders had hij wellicht ook bij de groep patiënten gehoord. Daaruit spreekt enige afstandelijkheid die ook in de documentaire zit. Wie zijn gat verbrand moet op de blaren zitten, lijkt Bromet uit te stralen, maar hij gaat daarbij voorbij aan de macht van de sigarettenindustrie en hun slinkse wijze om mensen met smaakmakers verslaafd te houden.

Roken is in vijftig jaar tijd van een algemeen geaccepteerde gewoonte bijna een taboe geworden. Op feestjes stond vroeger een glas rokertjes klaar. Wie niet meedeed was niet gezellig. Roken kon altijd: om spanning kwijt te raken of om juist ontspanning teweeg te brengen. Een boer of een bouwvakker rookte om een adempauze te nemen. Een bak koffie gaf troost en daar hoorde een sigaret bij. Uit de verhalen van de patiënten blijkt hoe sterk het verlangen naar de sigaret was. Velen stonden ermee op en gingen ermee naar bed. Eenmaal hooked was er voor velen niet meer van af te komen. Roken is dodelijker dan men denkt.

De jeugdig ogende Brigitte heeft een heel duidelijk beeld van haar crematie. Ze mist een long. Haar man ging weg tijdens haar ziekte, omdat hij het niet aan kon zien. Ze rookt al tien jaar niet nadat de hartspecialist haar waarschuwde dat ze na een operatie wel eens niet meer wakker zou kunnen worden en voelt zich daardoor beter, al mist ze het roken nog steeds wel. Haar oudste dochter van veertien rookt, maar haar jongste niet want die herinnert zich maar al te goed de tijd van de chemotherapie toen ze niet met haar moeder in bed mocht knuffelen. Brigitte wil haar bonustijd goed benutten. Ze helpt veel op school om buiten het kankerwereldje te blijven.  

Wilma vertelt dat de laatste maanden met haar man Adrie heel zwaar maanden. De term mensonwaardig zegt genoeg. Na zijn dood is ze ook gaan roken. Het leven was nogal eenzaam, had zijn glans verloren.

Evelyn rookte vanaf haar twaalfde. Drie jaar geleden werd longkanker geconstateerd. Een jaar later kwam ze er pas toe om met roken te stoppen. Daarvoor was dat niet haalbaar vanwege de stress waarin ze zich bevond. Haar niet rokende vader was boos op haar. Dat was voor haar een stok achter de deur. Haar man was gestopt maar begon weer toen men bij Evelyn weer een verdacht plekje op haar long constateerde, hetgeen vals alarm was. Ze haalt sigaretten voor hem uit de supermarkt, maar hoopt zeer dat haar elfjarige dochter er nooit mee begint. Ze voelt zich verplicht zo lang mogelijk bij haar te blijven.  

Cilly was in 2012 negen maanden lang kaal en voelde zich gestigmatiseerd. Ze praat over de sigaretjes die ze altijd draaide, ook voor in de auto, iets waarvan ze een leven lang oprecht genoot. Haar opa werd rokend 94 jaar oud, dus waarom zij niet? Ze noemt het nu een rotverslaving, waar niet gemakkelijk van af te komen is. Ze vindt dat roken verboden moet worden en verslaafden geholpen net als heroïneverslaafden. Dat is ook goedkoper dan alle ziekenhuisopnames die zij achter de rug heeft. Ze zou tegen dertienjarige meiden zeggen dat ze ook stoer kunnen zijn zonder een sigaret.  

Judith ligt in het ziekenhuis met een antibioticakuur tegen longontsteking. Ze had vroeger overal pakjes sigaretten liggen. Ze zou het Spaans benauwd krijgen als dat niet zo was. Ze werkte als stewardess en stopte eens drie maanden samen met haar man, maar ze gingen toch weer voor de bijl. Ze heeft een schuldgevoel dat ze tijdens de zwangerschap vijf sigaretten per dag rookte en ook in de auto met haar dochter op de achterbank. Ze ziet nog dat haar dochter met een pakje sigaretten aan kwam zetten als ze doodmoe thuis kwam. Ze vertelt over de wisselwerking tussen roken en een negatief zelfbeeld. Als kind mocht ze niet lastig zijn. Roken bood troost. Ze vindt haar ziekte erg voor haar man maar vooral voor haar dochter.

Dick (zie foto) is 63 jaar oud en ligt in een relaxfauteuil. Hij bevindt zich in een terminaal stadium. Zijn armen zitten ingepakt vanwege de oedeem. Pijn heeft hij er niet in. Als hij pijn voelt achter zijn schouders neemt hij zijn medicatie. Ooit was hij een sterke timmerman. Hij is al 45 jaar getrouwd met Wil. Het laatste half jaar stond bol van de stress. Samen hebben ze What a wonderful World uitgekozen voor op de crematie, een lied uit hun kennismakingstijd. Een week na de laatste opnames overlijdt Dick.

Hier de trailer, die begint met Judith die altijd zei dat ze toch ergens aan dood moest gaan, hier meer informatie op de site van NCRV 2 doc, hier nog meer over de geportretteerden op de site van Tabaknee.

zondag 29 maart 2015

Recensie: Laatste woorden (1983), Bas Heijne



Ironisch verhaal vindt tenslotte een bodem

Laatste woorden is het (proza-)debuut van Bas Heijne (1960), die Engelse taal- en letterkunde studeerde en daarna zijn vleugels uitsloeg naar vele andere literaire en geografische gebieden met een zwaartepunt op het gebied van de essayistiek. Op dat gebied schrijft hij wekelijks vileine columns in de NRC over het botte machtsvertoon dat we de politiek en de media uitgeoefend worden.

Zijn debuut Laatste woorden is een proeve van bekwaamheid, althans in stilistisch opzicht. Hij schetst daarin een wereld die in latere jaren in toenemende mate door de Amsterdamse grachtengordel geannexeerd is, met cultuur in de breedste zin van het woord en nog meer blabla. Hoofdpersoon Jojo ter Braak is een schrijver met, hoe kan het ook anders, een writersblock. Zijn wereld wordt door elkaar geschud door de dood van zijn vriend Vincent in Italië. Uiteindelijk belandt hij zelf als groupie van een diva in Rome. Hij denkt dat de zangeres hem kan inspireren, maar als zij hem rücksichtlos laat vallen is het uit met de pret.

Het motto van Laatste woorden komt van Edward Gibbon die in zijn Autobiography schreef dat verzoening op latere leeftijd is weggelegd voor ouders die zich terugvinden in hun kinderen, voor gelovigen die met hun gezangen tot aan de hemel komen en tenslotte voor ijdele auteurs die denken dat ze met hun werk onsterfelijk zullen worden. Daarmee neemt Heijne de zaak al op de hak. In de roman wordt in de eerste twee van de drie delen aan een stuk door geïroniseerd, tot hoofdpersoon Ter Braak in het derde deel in een rustiger, maar verre van gelukkiger vaarwater komt.

Het verhaal speelt zich af in de grachtengordel nadat Ter Braak zijn vriend Vincent, een gevierde volkszanger, voor een vakantie naar Schiphol heeft gebracht. Ter Braak vreest de avonturen die zijn vriend gaat beleven en zit sip alleen thuis voor een leeg papier, maar krijgt de nodige afleiding van feestjes in de buurt. Vriendin Geesje, die ook schrijft, trekt hem overal mee naar toe. Na een onstuimig partijtje bij de homoseksuele dichter Otto de Germain krijgt Jojo een telegram dat zijn vriend verongelukt is, terwijl hij achterop de brommer zat bij een jonge Italiaan.

In het tweede deel gaat Jojo met zijn buurvrouw, de weduwe Laarman, naar de begrafenis van Vincent in Florence, terwijl in Amsterdam een herdenkingsdienst gehouden wordt, waarbij de geestelijkheid zich niet onbetuigd laat. Ter Braak en Laarman neemt Allesandro, de jongen die de brommer bestuurde waarmee Vincent verongelukte, mee terug naar Amsterdam, waar hij onderdak vindt bij de weduwe. Ter Braak staat begrijpelijk nogal ambivalent tegenover de jongen, die zich zelf ook bezwaard voelt. Dit deel eindigt met optreden van een drankzuchtige diva ter gelegenheid de presentatie van de nieuwe dichtbundel van Otto, die slechts uit één exemplaar bestaat.

In het derde deel reist Ter Braak de diva achterna tot Rome, waar ze hem dumpt en hij zelf een goedkope hotelkamer neemt, waar hij in de hitte lamlendig op bed ligt. ‘De herinneringen aan Vincent, en daarmee de ideeën over het boek dat hij ooit schrijven zou, zijn langzaam uit hem weggeëbd. Wat hij nu nog voelt is niet het verlies van Vincent, maar het besef dat hij al die jaren niets te verliezen heeft gehad. Zijn hele leven is posthuum geweest.’ Een uitgesteld bezoek aan een museum van Keats levert hem een flauwte op. Hij heeft geen enkel houvast in het leven, maar wordt tenslotte toch bijgestaan door Geesje en Otto.

De eerste twee delen kennen snelle scènewisselingen, die het verhaal vaart geven, maar het tegelijk onrustig maken. Ik hoorde Heijne door de eerste delen heen en was blij dat hij daarna een andere toon aansloeg. In het derde deel keert de rust terug, alleen niet bij de Nijmegenaar Ter Braak die steeds meer in een existentiële crisis belandt, maar doorziet dat de mensheid vooral zichzelf wil zien en zich bevrijdt van zijn eigen verwachtingen. Hij laat het aan een ander over om zijn leven op te tekenen en heeft het getroffen met de jonge Bas Heijne. 


zaterdag 28 maart 2015

Rogi Wieg over De engel en de duivel (2002), Humanistische Omroep



Een man die geleerd heeft om oprecht lief te hebben

De engel en de duivel is de titel van een indringende interview dat journaliste Sarah Verroen in 2002 met de door mij bewonderde schrijver Rogi Wieg (Delft, 1962) had. Ze spreekt daarin over zijn ziekte OCD, door Wieg een hormonale stoornis genoemd die de hersenfuncties aantast.

Wieg heeft een petscan gezien waarop de frontale kwab van de hersenen een hogere activiteit vertoonde, met een dwangneurose, de oude naam van Obssesieve Compulsieve Stoornis, tot gevolg. Het zorgde bij hem voor magische gedachten en gruwelbeelden. Hij dacht wat hij niet wil en had emoties die hem vreemd waren, maar uitte dat niet zoals patiënten met het syndroom van Touret dat wel doen. Hij leed onder wat hij dacht, zoals zijn idee dat hij de chef van de Volkskrant, bij wie hij een artikel inleverde, tegelijkertijd uitschold. Hij wist niet of hij dat gezegd had, keek om zich heen of men hem vreemd vond en probeerde er op een bedekte manier bij de chef achter te komen. Thuis gekomen zat het hem nog steeds niet lekker. Dus belde hij de man op, weer met de vraag of zijn artikel geplaatst zou worden. Als reden van zijn zorgen gaf hij spanning op.

Verroen vraagt hem of hij zichzelf niet voor gek verklaarde.
Wieg ontkent dat. Gekken hebben geen contact met de werkelijkheid. Hij was wel bang om gek te worden, maar kon zijn dwanggedachten stopzetten door bepaalde handelingen te verrichten. Op zijn achttiende ging hij in psychoanalyse. Hij lag vierenhalf jaar op de bank, maar de OCD bleef. Alleen gedragstherapie werkt volgens Wieg.
Hij kreeg ook last van depressies die gruwelijk waren en totaal afwijkend van wat hij eerder ervaren had. Hij voedde de twee kinderen van zijn vriendin op, maar die zette hem daardoor op straat. Wieg was daardoor opeens alle zekerheid kwijt, zwierf rond, voelde zich steeds leger en verdrietiger. Zijn spraak was vertraagd, hij was afgevallen en kon slecht tegen licht, ook nu tijdens het interview dat in het halfduister plaatsvindt. Hij verbleef een jaar in de psychiatrische afdeling van het Lucas ziekenhuis en kreeg daar elektroshocks met het doel om zijn depressies te vergeten, maar hij vergat heel wat meer. Hij vond het een vreselijke tijd te midden van andere zieken. Zijn vrouw was zwanger en hij suïcidaal. Een stem zei dat hij zijn leven moest beëindigen, maar hij vertrouwde die niet en nam de proef op de som. Door een val van een flat zou hij de mogelijkheid niet openhouden om zijn levensdrift terug te roepen. Door zijn polsen door te snijden hield hij een slag om de arm. Een poging om zichzelf op te hangen wist hij op het allerlaatste moment te verijdelen. Op het moment dat hij aan een touw bungelde zag hij zijn ouders voor zich die hij toch nog een keer wilde srpeken. Met de nodige schaafwonden wist hij zich uit de knoop te bevrijden.
Gesprekken helpen alleen als men niets heeft. In het andere geval heeft men farmaceutische middelen nodig. Hij begon daarna vanuit het niets ’s nachts te schilderen en werd daardoor een ander mens. Er is letterlijk een heel stuk van hem weggeslagen, ook herrineringen en zijn geloof, maar hij kan nu wel affectieve bindingen aangaan, die niet gebaseerd zijn op angst. Hij kan liefde voelen en is blij met elke stap die hij kan zetten. Hij vindt het doodsjammer voor zijn ouders dat zij hem zo niet hebben meegemaakt. Zijn vader was een God voor hem en had het beste met hem voor.

Tenslotte speelt en zingt Wieg een bluesnummer op de piano. Een veertig jarige man die geleerd heeft om oprecht lief te hebben.   

Eind januari 2015 interviewde Arjan Peters hem voor de Volkskrant, met het oog op een tentoonstelling van zijn schilderijen in Arti et Amicitiae. Joost Zwagerman blikte terug op hun vriendschap in Het Parool, zie hier. De foto van het schilderij van Rogi Wieg is afkomstig uit dit laatste artikel.
Hier meer over de Obsessieve Compulsieve Stoornis (OCD) op het forum daaromtrent.

vrijdag 27 maart 2015

Eerste hulp bij kunst, Het theater van nu, Toneelschuur, 23 maart 2015



Tsjechov fileert de opgegeven patiënt met de brute hartstocht van een arts

Eerste hulp bij kunst is een nieuw initiatief van verschillende Haarlemse kunstinstellingen om de bezoeker meer te betrekken bij de kunstuitingen, of zoals over deze bezoeker in de flyer staat: ‘Meer willen weten over kunst van nu, maar niet weten waar te beginnen.’ Op theatergebied is Loek Zonneveld, theaterrecensent van De Groene Amsterdammer, de hulpverlener die het geïnteresseerde theaterpubliek wegwijs probeert te maken in het hedendaagse theater. Hij heeft beeldmateriaal uit zijn archief meegenomen om zijn stellingen te verduidelijken en praat met de jonge regisseurs Erik Whien en Olivier Diepenhorst, die onlangs respectievelijk Oom Wanja van Tjechov en Stilte van Norén op de planken brachten.

Zonneveld begint in Berlijn. Taxichauffeurs die hem naar het Deutsches Theater brengen, beginnen altijd over Oom Wanja dat al zeven jaar in dat theater gespeeld wordt, ook al ligt de regisseur Jürgen Gosch in zijn graf. Oom Wanja, dat is iets. Zonneveld leest voor uit zijn recensie over de voorstelling Onkel Wanja in Berlijn, waarin hij de dronken dokter Astrov en Sonja, de dochter van de professor, samen zag lachen, huilen en weer lachen. Astrov danste zonder effectbejag of censuur, iets wat hij anders nooit zou doen en daar gaat het volgens Zonneveld in het toneel om. Hij citeert uit een interview met Erik Whien, die jonge acteurs en actrices als Naomi Velissariou op het toneel zet, opdat jongeren zich met hen kunnen identificeren. Ook kleedt hij de oude tijd met hedendaagse gevoelens aan. Zonneveld zegt dit iets anders is dan het actualiseren van een toneelstuk. Hij toont het begin van een oude film van Andrej Kontsjalovski uit de jaren zeventig, waarin Wanja, net als in de huidige voorstelling, het publiek in kijkt en alleen maar Tsja zegt, hetgeen een heleboel inhoudt.

Pjotr Sjarov kan volgens Zonneveld in dit verhaal niet ontbreken. Deze gevluchte Rus werd na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland gehaald omdat eerdere voorstellingen van Tjechov op slechte kritieken waren uitgelopen. Hij stierf in 1969 en liet twee leerlingen na, de regisseurs Ton Lutz en Erik Vos die zijn erfenis deelden. Zonneveld toont beeldmateriaal over hem en zijn erfgenamen.

Toneelmaken is een kwestie van kiezen, is het parool van Zonneveld. En wel van een stijl waarna men stap voor stap op weg gaat naar het vangen van het publiek. Net zoals hij op de theateropleiding leerlingen twee opvattingen over één scène met elkaar laat confronteren, toont hij vanavond twee maal dezelfde scène, die van Astrov en Sonja, uit twee voorstellingen. In het eerste geval de film Vanya on 42nd street (1994) van Louis Malle met de jonge Julianne Moore (nu in de Toneelschuur te zien in de film Still Alice, rs) en Andre Gregory en anderzijds de voorstelling van Art&Pro in de regie van Frans Strijards met Gijs Scholten van Aschat en Marieke Heebink.

De film is psychologisch sterk, het theaterstuk indringend vanwege de absurde toets van Heebink. Zonneveld haalt een Duitse vertaler van Tsjechov aan die Russische wortels heeft en stelt dat de weemoed, die de personages van Tsjechov uitstralen, te maken heeft met het feit dat die mensen leven in een eindtijd, waarin ze in plaats van na te denken zichzelf kapot kletsen. Tsjechov fileert de opgegeven patiënt met de brute hartstocht van een arts. Tijdens het gesprek hierover met Whien en Diepenhorst vertelt Zonneveld dat de laatste voorstelling lang zijn voorkeur had, maar dat hij daarvan terugkomt, al kan hij niet precies zeggen waarom dat is. Sinds Gosch zijn er nog andere opties dan de ultiem realistische voorstelling van Strijards, die veel commotie opriep, zoals te lezen is in zijn recensie in De Groene Amsterdammer van 27 april 1994. Volgens Whien kan theater de realiteit weergeven maar daar ook een schepje boven op doen. Het realisme is dan ook vaak meer een toneelrealiteit dan een persoonsrealiteit. Diepenhorst vult aan dat de werkelijkheid vaak vreemder is dan hij kan bedenken en daar graag dicht bij komt. Zonneveld vertelt de anekdote dat Tsjechov ooit door Stanislawski belaagd werd met ideeën over een realistische weergave van De meeuw, hetgeen Tsjechov ertoe bracht om als reactie een stuk te schrijven, waarin de hoofdpersoon opmerkt dat het heerlijk rustig is zonder het geschreeuw van meeuwen, het ruisen van bomen en anderzijds. 

Tijdens de Q&A, gehouden onder het mom dat domme vragen niet bestaan, vraagt Leonardo hoe de regisseur het publiek moet raken. Zonneveld zegt dat daar geen standaardrecept voor is, waarop Leonardo later zelf met het antwoord komt, namelijk dat de regisseur zijn hart moet laten spreken.
Eerder ging het over het verschil tussen het regisseren van bestaande en nieuwe stukken. Whien vindt het soms lastig om een stuk te regisseren dat hij gezien heeft en dat hij geweldig vond, Diepenhorst vindt het mooi om zijn eigen steentje aan de traditie te kunnen bijdragen. Nieuwe stukken zijn volgens Whien gevaarlijker omdat ze zich nog moeten bewijzen, Diepenhorst heeft daar geen ervaring mee.
Een andere vraag ging over de kwestie of de regisseur in een latere fase nog helder kan oordelen over zijn stuk. Whien kan dat wel voor zichzelf, Diepenhorst is erop alert dat hij niet teveel zijn eigen oordeel laat prevaleren. Hij is zich er ook van bewust dat een toeschouwer het stuk slechts een keer ziet. 
Daarnaast werd gesproken over de invloed van de acteur op de regie en het verschil tussen de rol van acteur en de regisseur, waarover Whien kan meepraten omdat hij beide functies kent. Hij noemt het een voordeel dat hij een acteur beter kan doorgronden, maar een nadeel dat hij zich soms teveel inleeft in de acteur.

Tenslotte toont Zonneveld nog een boeiend beeldfragment uit 1987 van een ontmoeting die vertaler Karst Woudstra met Lars Norén had over zijn stukken en werkwijze. Norén begon als dichter en ging pas later voor het toneel schrijven. Hij doet dit in een lege flat waarin hij met zijn personages in contact probeert te komen. Als hij hun complexe persoonlijkheid begrepen heeft, kan hij hen hun eigen gang laten gaan. Hij vindt het boeiend als hoofd, hart en lijf verschillende signalen afgeven en ontleent veel stof aan zijn eigen familie, vooral aan zijn vader. Dezelfde thema’s komen steeds terug, maar veranderen naarmate hij zelf ouder wordt en zijn beeld van het verleden zich wijzigt. De zoon verandert dan van slachtoffer tot iemand die zelf de touwtjes in handen heeft.  

Hier de recensie van Zonneveld over Oom Wanja van Frans Strijards, hier zijn site met daarop zijn recensie van Onkel Wanja.