Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.


Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

zondag 24 mei 2015

Theaterrecensie: De kersentuin, Stan, Toneelschuur, 23 mei 2015



Overrompelend en stil makend portret van maatschappelijke verandering

De kersentuin was het laatste theaterstuk dat Anton Tjechov schreef voordat hij in 1904 overleed. Hij werkte lang aan de tekst, die vlak voor zijn dood onder regie van Stanislavski in première ging. De kersentuin speelt op het breukvlak van de feodale en de nieuwe tijd en handelt over een aan lager wal geraakte aristocratische familie die in rep en roer is over de toekomst. De Vlaamse theatergroep Stan weet wel raad met chaotische toestanden. Het tienkoppige gezelschap verbeeldt met een bijna gedrogeerde euforie de laatste dagen van de oude orde.

Vooraf staan de spelers al trappelend te wachten in het enorme decor met verweerde glaspanelen met vitrages daarboven aan de linkerzijde en oude kapstokken aan de andere kant. Op de grond ligt een kolossaal zeil dat aan een vloerkleed met symmetrische patronen doet denken. We zijn in het de kinderkamer van het oude landhuis waar na de thuiskomst van mater familias Andrejevna Ranjevskaja (Jolente De Keersmaeker) uit Parijs een familieberaad gehouden om aan veiling van het landgoed met daarop oude kersenbomen te ontkomen.  

Stan brengt De kersentuin low profile. Het is alsof we naar een vrijblijvende repetitie kijken, waarin iedereen zijn eigen gang kan gaan en, zoals inderdaad het geval is, de regisseur ontbreekt. Zakenman Lopachim (Frank Vercruyssen) loopt rond met de blik van een regelneef. Hij probeert het publiek aan de uiterste linkerkant dat slechts zicht heeft op de spots die achter de glazen wand betere plaatsen toe te wijzen. Als de uitvoering zijn missie vanwege de onverwacht hoge opkomst van het aantal toeschouwers mislukt, deelt hij de benadeelde toeschouwers mee dat ze alleen tijdens het eerste bedrijf last van de glaswand zullen hebben. Een van de jonge speelsters voorziet dat ze daar juist prima zitten. Ze zullen een andere voorstelling zien die ook zeer de moeite waard is.

Zonder overgang begint Lopachim tegen het als enige overgebleven kamermeisje (Scarlet Timmers) over de tijd van aankomst van de trein uit Moskou. Hij wil weten dat hij een rijke man is, maar wel van boerenafkomst. Zijn verklaring wordt opgevolgd door die van de boekhouder die zijn nieuwe krakende schoenen komt tonen. Als het gezelschap eenmaal gearriveerd is, trekt de laatste een wit jasje aan om aan te geven dat hij ook de functie van de oude bediende Firs (Stijn van Opstal) vervult. Hij zucht vaak dat de verhoudingen vroeger tenminste duidelijk waren, is de hele voorstelling door bezorgd dat men kou vatten en hij bedient op een koddige manier de spots aan de linkerkant alsmede de ventilator die de kersenbloesem de kinderkamer in blaast. Met zijn opmerking dat het publiek aan de linkerzijde inderdaad goed zit, wekt hij de lachlust op.

De beminnelijke dochter Anja (Evelien Bosmans) vertelt over de lange reis terwijl haar vermoeide moeder en haar breedsprakerige oom Leonid (Robby Cleiren) de vertrouwde omgeving op zich laten inwerken. Het voorstel van zakenman Lopachim om de kersenbomen om te kappen en daarvoor in de plaats datsja’s te plaatsen die veel geld van zomergasten opleveren, valt niet in goede aarde. De moeder stelt haar hoop op een oude tante die mogelijk geld geeft om het landgoed te behouden. Ontroerend is haar weerzien met de liberale student Petja (Lukas de Wolf), de vroegere onderwijzer van haar zoontje dat op het landgoed verdronk, hetgeen reden was om naar Frankrijk te vertrekken. Ze staat niet te wachten op nog meer tegenslagen.  

Tot het bonte gezelschap dat de aandacht van het publiek opeist, behoort zeker de vitale pleegdochter Varja (Evgenia Brendes). Haar moeder wil haar koppelen aan zakenman Lopachim en daarmee het behoud van het landgoed veilig stellen. Sfeervol is haar Russisch dat door een toeschouwer verstaan wordt. In het derde bedrijf vraagt een andere speler heel gevat aan de Russisch sprekende kijker naar de betekenis van haar woorden. Een ander opvallend personage is Charlotte, een vrijgevochten jonge vrouw van onbestemde afkomst met een achtergrond op goochelgebied, die voor luchtige en kleurrijke accenten in de voorstelling zorgt.

De changementen tussen de vier bedrijven worden door het gezelschap gezamenlijk verricht en roepen een sterk collectief gevoel op. Charlotte houdt tussen het eerste en tweede bedrijf de trekkoorden van de vitrage als een stel ballonnen op de kermis vast, zodat de anderen de glaspanelen naar de achterwand kunnen rijden. Firs probeert met een kruimeldief de scherven van een kopje op te ruimen dat het kamermeisje van schrik liet vallen toen ze besprongen werd door de drankzuchtige en armlastige bediende Jasja (Bert Haelvoet). Tijdens de volgende slapstick-achtige buitenscène (zie foto van Koen Broos) probeert Jasja, door de magische invloed van Charlotte, vergeefs zijn sigaar aan te steken, maar krijgt hij later alsnog een vuurtje van Charlotte nadat zij de loop van haar geweer heeft ingesmeerd met was. Het kamermeisje geniet vooral van de nabijheid van Jasja en de boekhouder begeleidt zichzelf met een humoristisch lied op gitaar, door hem steevast een mandoline genoemd. Het is tegelijk treurig dat hij geen richting in zijn leven heeft en daarom altijd een pistool bij zich draagt.

In het derde bedrijf, op 22 augustus, de dag van de mogelijke veiling van het landgoed, wordt collectief en energiek op de toppen van de vulkaan gedanst, hoewel de moeder de muzikanten niet eens kan betalen. De zondvloed lijkt niet ver weg. Af en toe komt men uit de danszaal de salon binnen om het hart te luchten of, zoals Jasja die al twee beroertes heeft gehad, op adem te komen. De moeder wacht in spanning op Lopachim en Leonid die naar de veiling zijn geweest. Er gaan geruchten dat het landgoed verkocht is. Lopachim komt als eerste terug om dit te bevestigen maar kan niet praten omdat hij per ongeluk op het hoofd geraakt is door een keu, waarmee Leonid zijn dagen slijt. Later horen we dat hijzelf het landgoed gekocht heeft en dat hij straks de kersenbomen zal rooien. Blij is hij er niet mee, evenmin als de familie. Jasja in de enige die zich te goed doet aan de champagne die Lopachim aan het begin van het laatste bedrijf inschenkt.

De moeder kan haar verlies moeilijk accepteren. Het inzicht in de nieuwe tijd dat Petja haar probeert bij te brengen is niet aan haar besteed. De afbraak van de kersentuin ligt als een molensteen op haar hart. Ze besluit gehoor te geven aan het verzoek van haar zieke minnaar in Parijs om terug te keren. De anderen gaan terug naar de stad. Voor het zover is, wil de moeder toch nog een huwelijk tussen Varja met Lopachim arrangeren, maar Lopachim is, stilletjes gadegeslagen door de rest van het gezelschap, te schuchter om Varja in te palmen en reist net als de anderen af. De eenzaam achtergebleven boekhouder blaast het kaarsje uit.     

Anders dan bijvoorbeeld Oom Wanja mist De kersentuin een duidelijke verhaallijn, waardoor spanning op een andere manier gezocht moet worden. Stan doet dit door een potpourri aan melodramatische taferelen en personages, waarmee de inertie van de bezittende klasse, het in drank vergetelheid zoekende volk en afleidende verliefdheden tussen de veelal jonge mensen duidelijk naar voren komen. In een tijd van onzekerheid overheerst de weemoed naar duidelijke vormen. De kersentuin van Stan biedt spektakel en is een overrompelende, maar tegelijk stil makende ervaring. Het zet aan het denken over onze eigen tijd, waarin dezelfde onzekerheid en daarop gestoelde reflexen waarneembaar zijn.   

Hannah van den Ende over Vergeet niet dat je arts bent, VPRO Boeken, 3 mei 2015



Joodse arts een reddingssloep in een metaforische scheepsbreuk

Hannah van den Ende is arts en promoveerde op de geschiedenis van joodse artsen in de Tweede Wereldoorlog zoals de ondertitel van haar studie aangeeft. Aanleiding was het feit dat ze haar studentenhuis in Groningen zich naast de woning bevond van een joodse arts die veel over de toestand tijdens de bezettingsjaren geschreven had.

Wim Brands noemt het ongewoon dat een arts zich op jonge leeftijd verdiept in een geschiedkundig onderwerp.
Van den Ende beaamt dit. De meeste artsen doen zoiets na hun pensionering.

Brands kent de feitenkennis van Van den Ende en vraagt haar naar het aantal joodse artsen waar het om gaat.
Van den Ende noemt het aantal van 534. De helft van deze joodse artsen was werkzaam in Amsterdam.

Brands vraagt hoeveel van hen getuigden.
Dat waren er zeven, van wie er inmiddels al vijf artsen overleden zijn. Daarom vulde Van den Ende haar onderzoek aan met medisch studenten uit die tijd en andere direct betrokkenen zoals familieleden van de artsen. Ze kwam daarmee op zo’n tweehonderd getuigenissen.

Brands vraagt hoe scherp de getuigenis nog was van de 101 jarige die ze ondervroeg.
Van den Ende vertelt dat de man nog steeds leeft en dat hij ook bij haar promotie was.

Helaas gaat Brands niet in op de door Van den Ende genoemde haken en ogen bij de ondervraging. Hij wil wel een verhaal horen dat deze oude man vertelde.
Van den Ende noemt diens dilemma nadat een vrouw werd binnengedragen in ziekenhuis aan de Keizersgracht, die een zelfmoordpoging had ondernomen om aan deportatie te ontkomen. Hij redde de vrouw het leven maar worstelde nog steeds met de vraag of hij daar goed aan had gedaan.

Brands zegt dat het boek vol staat met dit soort bizarre anekdotes, maar wil eerst terug naar het begin van de oorlog. Hij is benieuwd naar de veranderingen in het leven van een joodse arts.
Van den Ende noemt het ambtenarenverbod uit november, waardoor de artsen niet meer in overheidsdienst zoals bij de GGD konden werken en een half jaar later het verbod om niet- joodse patiënten te behandelen.

Brands wil weten hoe men reageerde als iemand op straat neerviel.
Van den Ende zegt dat het ondenkbaar is dat de gemiddelde arts niet zou reageren. Hoewel er geen statistieken bekend zijn over het verzet tegen de maatregel, deden veel artsen toch gewoon wat ze moesten doen. Na aanvang van de deportaties werd het medisch beroep een reddingssloep in een metaforische scheepsbreuk. Omdat men in de eerste maanden van de deportaties bij ziekte gevrijwaard was voor uitzending naar de werkkampen, pleegden de artsen sabotage om hun patiënten thuis te houden. Hiertoe maakten ze valse attesten op, sneden ze in het lichaam en dienden bijtende middelen toe die lichaamsreacties gaven.

Brands noemt het schrijnend geval van een baby die te vroeg geboren werd in Vught.
Van den Ende zegt dat hij goed verzorgd werd in Westerbork, maar dat men daarna deportatie niet kon voorkomen.

Brands begint over de titel van het boek die een uitspraak is van de vader van Hans Keilson, die hij in de oorlog deed tijdens het afscheid met zijn zoon, dat voor altijd bleek te zijn. Brands brengt die uitspraak in verband met het gevestigde idee dat de oorlog er een was met grijstinten, iets wat door Van den Ende bestreden wordt.
Van den Ende roemt het grote plichtsbesef van de artsen met een sterk moreel kompas. In plaats van het morele relativisme van Hanna Arendt hangt ze het moreel pluralisme aan van de Britse filosoof Isaiah Berlin.

Brands brengt ten slotte nog het paternalistisch altruïsme ter sprake.
Volgens Van den Ende gaat het er hierbij om dat de arts de zorg van de patiënt voor een deel op zich neemt. Ook in 2015 met de nadruk op de autonomie van de patiënt is dit volgens haar nog steeds van betekenis. Een gebrek hieraan kan tot onverschilligheid leiden.  


   


zaterdag 23 mei 2015

Theaterrecensie: Solness, het Nationale Toneel, Toneelschuur, 22 mei 2015



Weergaloze representatie van de spanning tussen ons leven en onze verlangens

Henrik Ibsen was een gevierd negentiende-eeuws toneelschrijver en een lichtend voorbeeld voor andere toneelschrijvers. Zijn vele theaterstukken zijn direct verbonden met zijn eigen levenservaringen, zo vertelt Ricci Scheldwacht in zijn inleiding, die eindigt met de uitspraak van Ibsen dat hij het leven niet beleefd maar doorleefd heeft. Bouwmeester Solness uit 1892 is een van zijn laatste stukken waarin Ibsen diep graaft in de menselijke existentie. Hoofdpersoon Halvard Solness zit in een zware persoonlijke crisis en probeert zich daar met behulp van een wilskrachtige jonge meid uit te bevrijden. De realiteit van het leven is echter hard en botst met onze wensen en verlangens. 

Regisseur Theu Boermans van het Nationale Toneel heeft het ruim honderd jaar oude toneelstuk nieuw leven ingeblazen en de context overgebracht naar onze tijd, zonder dat de essentie van de boodschap van Ibsen daaraan afbreuk doet. De vijftigjarige Harvard Solness, hoofd van een architectenbureau, zit in een midlife crisis. Hij wordt door de tijd op de hielen gezeten en voelt de adem van de jongere generatie in zijn nek. In persoonlijke zin heeft hij een slechte relatie met zijn ziekelijke, getraumatiseerde vrouw Aline. Hij is daarom gevoelig voor de charmes van zijn boekhoudster Kaia. De komst van een de jonge, springerige, brutale Hilde zaagt de poten onder zijn stoel weg.

Decorontwerper Bernard Hammer heeft weer een prachtige omgeving bedacht waarin het drama zich voltrekt. De witte tafels onder het kille neonlicht in de bijna onmetelijke ruimte geven de leegheid weer waarin het werk op het architectenbureau zich voltrekt. Bij aanvang van het stuk is de oude Brovik, die ooit Halvard in dienst nam maar door de laatste overvleugeld is, met zijn zoon Ragnar daar druk aan het tekenen. Brovik is aan het eind van zijn Latijn. Hij laat Halvard weten dat hij nog maar kort te leven heeft en wil graag dat Ragnar het bedrijf overneemt. Daarnaast speelt ook nog een mogelijk huwelijk tussen Ragnar en Kaia, waardoor hij zijn geliefde kwijt zou raken. De kwesties knagen aan het geweten van de bouwmeester, die niets kan laten vallen.

De opkomst van Hilde op zware wandelschoenen - heel grappig precies op het moment dat Halvard tegen de dokter van zijn vrouw heeft gezegd dat hij de klop van de jeugd vreest - brengt nieuwe perspectieven. Ze vertelt met veel bravoure dat hij haar op de kop af tien jaar geleden een koninkrijk heeft beloofd en dat zij dat nú komt opeisen. Halvard is eerst stomverwonderd, maar gaat algauw met haar mee. Zo’n jong springerig ding is de beste garantie tegen zijn eigen zware gedachten. Ze opent deuren.

Fraai is de dialoog in de tweede akte in de directeurskamer tussen Halvard en Hilde waarin Halvard haar vertelt over de demonen die hem achtervolgen. Hilde is een klankbord voor zijn gevoelens die Halvard niet met Aline kan delen. De dood van hun twee kinderen na een brand in hun vroegere huis heeft het verlangen naar een thuis vernietigd. Dat geluk voelt als een wond in zijn borst die nooit genezen is. Hilde wijt zijn ongeluk aan zijn overgevoelige geweten. Als dat gestaald zou zijn, zou hij doen wat hij zou willen, zegt de knappe verleidster. Ze haalt Halvard over om Ragnar de eer te gunnen om een, door hem eerder geweigerde opdracht, aan te nemen. Halvard op zijn beurt wil verder niets meer van Ragnar of Kaia weten. Hij heeft een nieuwe ster ontdekt.

In de derde en laatste akte, die zich in de tuin afspeelt, spitst zich toe op het nieuwe huis dat Halvard tegenover het bureau bouwt op de plaats van het verbrande huis. Aline noch Halvard hebben veel animo om daar te gaan wonen, maar Hilde ziet wel iets in de torenkamer die Halvard, net als voor het project waar hij tien jaar daarvoor aan werkte, aan het huis gebouwd heeft. Zij zal erin wonen en hem ontvangen, net zo vaak als hij zal willen. De voorstelling krijgt daarmee een fantasierijke dimensie. Hilde wil dat Halvard net als tien jaar geleden een krans om de weerhaan hangt en ziet samen met de anderen aan het eind van de voorstelling gespannen toe hoe Halvard zijn hoogtevrees trotseert om aan haar wens tegemoet te komen.

Alles klopt in deze voorstelling van het Nationale Toneel. De tekst scharniert moeiteloos rond de vele thema’s die worden aangesneden. Humor is nooit ver weg. De fris ogende Anna Raadsveld in de rol van de onverschrokken, idealistische en bellen blazende Hilde vormt een mooie tegenhanger van de zwaarlijvige Mark Rietman als Halvard Solness (zie foto van Kurt van der Elst). Ze vinden elkaar in hun verlangen naar een ander leven, dat pijnlijk genoeg niet voorhanden blijkt. Het is de verdienste van Theu Boermans en Bernard Hammer dat zij deze utopie in een prachtige theatrale vorm hebben gegoten. Het warme applaus was zeer verdiend en gold ongetwijfeld ook Henrik Ibsen die zijn tijd vooruit was met zijn scherpe blik op ons gebrekkige leven.      

Filmrecensie: A l’ origine (2009), Xavier Giannnoli



Zwendelaar komt weg met zijn vastberaden plan om een weg aan te leggen

François Cluzet is een veelgevraagd acteur die dan ook als een bekende wordt begroet in A l’origine. Hij speelde ook al in Paris, in Les petits mouchoirs en in Intouchables, om enkele recente films te noemen. Het is daarom knap dat hij in A l’ origine dermate overtuigend de rol van oplichter speelt, dat men de persoon achter de acteur vergeet. Dat geldt overigens ook voor zijn - evenals veel gevraagde - tegenspeelster Emmanuelle Devos.

Philippe Miller, zoals de oplichter zichzelf voorstelt, doet zich voor als aannemer en rijdt verschillende bouwprojecten langs. Hij legt telefonisch contact met het aannemingsbedrijf, vraagt naar de inkoper en koopt vervolgens in diens naam materialen bij bouwbedrijven, waarmee hij samen met compagnon Abel een aardige som geld verdient.

Op een dag besluit Miller het groter aan te pakken. Hij neemt de auto van de zaak mee en het geld en gaat naar een Frans dorp waar twee jaar daarvoor door bouwonderneming CGI een snelweg zou worden aangelegd, dat echter werd stopgezet vanwege de aanwezigheid van kevers. Miller doet zich voor als vertegenwoordiger van het bedrijf en inventariseert de mogelijkheden om het project weer op te starten. De dorpsbewoners zijn verheugd over zijn komst want het project brengt werkgelegenheid en geld in het laatje. 

Miller neemt zijn intrek in het plaatselijk hotel en krijgt meteen al assistentie van het kamermeisje Monika. Ze geeft hem haar c.v. om bij hem in dienst te komen. Omdat ze hem goed gezind is, biedt hij haar een baan aan als secretaresse. Haar vriend Nicolas wordt de chauffeur van Miller. Ook Stéphane, de burgemeester van het dorp, is ingenomen met zijn komst, niet alleen vanwege de werkgelegenheid maar ook omdat ze gescheiden is en Philippe haar intrigeert. Terwijl de werkzaamheden opgestart worden, ontwikkelt zich langzamerhand een amoureuze band tussen de twee.

Het is knap hoe Miller allerlei problemen uit de weg gaat, vooral door zijn rug om te draaien en weg te lopen. Monika schuift hij af en toe wat geld toe om werknemers en leveranciers te sussen. Opzichter Louis geeft hem het voordeel van de twijfel. Toch wordt het Miller regelmatig te heet onder de voeten. Op het moment dat hij besluit te vluchten, wordt hij staande gehouden door Nicolas. Hij en Monika weten van zijn zwendel en zitten in het complot, maar willen niet van wijken weten.

Miller legt contact met de bankdirecteur om een lening los te krijgen voor nijpende zaken. Heel slinks weet hij daardoor inderdaad het project draaiende te houden. De deadline is de achtentwintigste als de lonen moeten worden betaald. Dan moet de weg klaar zijn. Miller loopt vaak in zijn handen klappend op het terrein rond, als een voetbalcoach de werkers aan sporend nog een tandje bij te zetten. De aankomende regen die voor vertraging zou kunnen zorgen, geeft een extra duwtje. Philippe heeft echter niet op de komst van zijn vroegere compagnon Abel gerekend. Hoewel hij die nog kan uitschakelen, is de grond inmiddels net zo heet als het asfalt dat pas neergelegd is. 

De film is gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen. Tijdens de aftiteling lezen we dat de oplichter, die Philippe Berre heette, na zijn gevangenisstraf verdween en dat de weg uiteindelijk toch door de Franse Rijkswaterstaat werd goedgekeurd.  

Hier de trailer van A l’ origine, die in het Engels In the beginning heet, net als dat prachtige nummer van Bob Dylan.

vrijdag 22 mei 2015

Jeroen de Bruyn over Bep Voskuijl, het zwijgen voorbij, VPRO Boeken, 3 mei 2015



Biografie over jonge verzetsvrouw ondergesneeuwd door vraag naar verraadster

De jonge Vlaamse journalist Jeroen de Bruyn schreef samen met Joop van Wijk, de jongste zoon van Bep Voskuijl, een biografie over diens moeder die een belangrijke rol speelde in de onderduik in Het Achterhuis. Helaas werd het onderwerp van het boek overschaduwd door de storm die opstak in de media over een nieuwe verdachte van het verraad die de schrijvers noemden en de afkeuring van de Anne Frank Stichting die daar het gevolg van was.

Wim Brands vraagt wanneer De Bruyn zich in Bep Voskuijl, een jonge kantoorbediende die een van belangrijkste helpsters in de onderduik van de familie Frank, is gaan verdiepen.
De Bruyn las al, met behulp van zijn moeder, op zijn achtste Het Achterhuis. Dat verhaal liet hem niet meer los. Op zijn vijftiende raakte hij nieuwsgierig naar Bep Voskuijl omdat ze in het dagboek van Anne Frank nogal onderbelicht bleef. De Bruyn werd gefascineerd door de jonge vrouw van 23 jaar haar leven in de waagschaal stelt voor de hulp aan anderen.

Brands begint over een citaat van Herman Vuijsje, die haar eerder typeerde als een angstig meisje dat zelf liever niet gezien wilde worden. De Bruyn heeft dit beeld samen met Joop van Wijk willen rechtzetten. Bep was niet naïef, deed veel voor de onderduikers en was zeer teleurgesteld dat haar missie mislukte.

Brands vraagt naar de research die De Bruyn en Van Wijk deden.
Allereerst waren er de brieven, bewaard door de Anne Frank Stichting, de plakboeken van Bep uit de jaren zestig en zeventig, maar daarnaast waren er ook een zus van Bep en een verloofde van haar uit de oorlog die hen informatie gaven. Bep zelf die in 1983 overleed was altijd te getraumatiseerd om over de geschiedenis te praten.

Brands vraagt om een typering van Bep.
De Bruyn zegt dat ze een gedaanteverwisseling heeft ondergaan. In Het Achterhuis komt ze naar voren als een optimistische, speelse jonge vrouw, maar na de oorlog verviel ze in wanhoop. Daarbij speelde haar slechte huwelijk mee en het mogelijke verraad van haar zus Nelly die voor de Duitsers werkte. Ze deed zelfs een zelfmoordpoging die door haar jongste zoon Joop verijdeld werd.   

Brands vraagt door over het mogelijke verraad van die zus Nelly.
De Bruyn zegt dat de in 1963 opgespoorde SS-er Karl Silberbauer daarop zinspeelde. In een interview met Panorama in de jaren zestig zei Bep dat ze niet geloofde in het verraad van magazijnbediende Van Maaren.

Brands begint over de media die vervolgens op het boek doken, waarna de Anne Frank Stichting haar steun terugtrok en het boek niet ter verkoop in het museumwinkel legde. De commotie was voor Van Wijk zelfs reden om niet in het programma te komen.
De Bruyn betreurt alle commotie. Hij had niet verwacht dat dit onderwerp overbelicht zou worden. Hij zegt dat zij een plausibele verdachte genoemd hebben, maar dat het boek een eerbetoon is aan Bep Voskuijl en andere stille helpers die met gevaar voor eigen leven onderduikers hielpen. Dit eerbetoon komt volgens De Bruyn net op tijd, want over tien jaar leeft niemand van deze groep meer. Hij denkt dat Bep Voskuijl in ieder geval blij geweest zou zijn met de biografie. Recht door zee!