Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.


Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

woensdag 20 augustus 2014

Ionica Smeets, VPRO-Zomergasten, 17 augustus 2014






Lief meisje met een voorliefde voor wiskundige raadsels

Ionica Smeets (Delft, 1979) is wiskundige en wetenschapsjournaliste en brengt daarmee een ander geluid voren in het programma dat na een kwart eeuw af en toe aan bloedarmoede begint te lijden. Het is vooral een vrolijk geluid vooral dat Smeets laat horen. Haar mond is voortdurend in een lach gekruld en ze neemt de kijker daarmee in. In het filmpje waarin ze zichzelf vooraf introduceert noemt ze haar keuze voor de gekozen fragmenten een ode aan de slimheid ofwel aan de nerds, tot wie zij zichzelf ook rekent. Ze typeert deze groep als intellectueel bezig op beta gebied en enthousiast. Dat laatste is zij zeker, al zie ik nerds eerder als wat neuzige types die de ogen ononderbroken op hun beeldscherm gericht houden. De bevlogenheid die Smeets ook noemt is eerder op hen van toepassing: nerds gaan verder waar anderen afhaken, zijn monomaner en houden ervan het zichzelf moeilijk te maken. Veel fragmenten slaan ook op dit menstype, zoals een wiskundige die de maten van het ananashuisje van Sponge Bob op waarheid onderzoekt of de Britse wiskundige Marc du Santoy die voor de BBC een serie uitzendingen over wiskunde maakte. Voor Smeets was de elegantie van een onweerlegbare bewijs over priemgetallen een doorslaggevende reden om de informatica in te ruilen voor wiskunde.

Smeets, die zelf gepromoveerd is in de getaltheorie, begint de uitzending met een wat flauw filmpje van een Amerikaanse komiek die de betrekkelijkheid van grotere getallen laat zien, maar het commentaar van Smeets dat grote getallen - bijvoorbeeld in de miljoenennota - vaak weinig zeggen als het verband ontbreekt, is interessant. Leuker is cabaretier Kees Torn die een lied heeft gemaakt waarin het publiek steeds de regel moet afmaken met een bepaald woord. Het blijkt dat dit woord een Engelse vertaling moet zijn van een voorafgaand Nederlands woord. Zo wordt ik aai omdat I als zodanig wordt uitgesproken. Torn verklapt dat hij zes jaar met het lied bezig is geweest. Duidelijk een voorbeeld van iemand die het zichzelf niet gemakkelijk maakt. Smeets zag de show in Maassluis toen ze daar als kassameisje werkte. Ze had zelf ook een aspiratie naar kleinkunst, maar koos daar niet voor omdat ze voorvoelde dat ze als wiskundige en wetenschapsjournaliste beter tot haar recht zou komen. Ze is ervan overtuigd uit dat men moet doen waarin men goed is.

Ze laat een filmpje zien van de ultieme alfa John Greene die videofilmpjes maakt voor zijn broer Hank die aan de andere kant van de Verenigde Staten woont, maar die door veel anderen worden bekeken. De korte filmpjes gaan in een razend tempo, maar Smeets heeft daar weinig moeite mee. Het daaropvolgende gesprek met Wilfried de Jong gaat over de waarde van internetcommunities, waardoor elke jongere uit een willekeurig Fries dorp tegenwoordig gelijkgestemden kan vinden. Ze is ook zeer gecharmeerd van Nederlands eerste computerprogrammeur Edsger Dijkstra, die eenvoud voorstond. Om dat weer terug te krijgen zou de huidige ontwikkeling op computergebied voor een groot deel moeten worden afgebroken en dat zit er vanwege de grote financiële belangen niet in.

Boeiend was een fragment van een lezing van Richard Feynmann, waarin die met de nodige twijfel over de begripsvermogen van zijn publiek de verhouding tussen wiskunde en natuurkunde aan de orde stelt. Smeets ziet hem als een intellectueel net als C.P. Snow, die zowel natuurkundige als schrijver was en daarmee een brug sloeg tussen alfa- en betawetenschappers. Helaas is de kloof tussen de twee groepen alleen maar groter geworden. Dit blijkt ook uit een fragment van de DWDD waarin twee wiskundigen zich uitlaten over een nieuw gevonden oplossing van een wereldraadsel van een Australische wiskundige. Smeets zou zich niet lenen voor dit soort exercities, al vindt ze het wel waardevol om haar vakgebied onder de aandacht te brengen bij het grote publiek. Er zijn grenzen.

Grenzen zijn er ook aan het inlevingsvermogen van de kijker. Het gezicht van Smeets vertoont steeds meer dezelfde trekken. Misschien komt dat ook door de passieve houding van De Jong die op het eind bekent dat hij vreesde niet bij Smeets te kunnen aanhaken. Het is een thema dat Smeets zelf ook vertrouwd is. Als studente van de TU Delft miste ze zelfvertrouwen toen ze als ingenieur naar Leiden kwam om getaltheorie te gaan studeren. Ze hoorde in een show van Micha Wertheim dat men in zo’n geval kan bluffen en maakte daar dankbaar gebruik van. Ze kan zich vinden in de stelling van de zwarte sterrenkundige Neil deGrasse Tyson dat het kracht vereist voor zwarten en vrouwen om in een blanke mannenwereld binnen te komen en zich daar staande te houden. Zelf koos ze daarom wellicht liever voor de journalistiek dan voor pure wetenschap. Ze merkt het maatschappelijke krachtenveld op als ze haar vierjarig zoontje met een roze rugtas naar school laat gaan.
Als De Jong opmerkt dat ze zelf toch ook allemaal fragmenten met mannen heeft gekozen, antwoordt Smeets dat het nu eenmaal allemaal mannen zijn die op haar vakgebied de dienst uitmaken. Voor de verandering toont ze een fragment van en met de maker en hoofdrolspeelster uit de serie Girls, die zichzelf durft te zijn tegen alle weerstanden in.

Ze komt uit bij haar lievelingsschrijver Kurt Vonnegut die in Slaughterhouse V vol mededogen over het bombardement op Dresden schreef en daarbij SF gebruikte voor de noodzakelijke lichtheid en bij Leo Vroman die behalve een verdienstelijk wetenschapper en dichter ook een prachtige echtgenoot voor Tineke was. Smeets wordt hierdoor ontroerd en wil het liefst van alles samen met haar vriend op die manier oud worden. Ze onthult dat de ratio helpt om de emotie te temperen, bijvoorbeeld als het erom gaat de vaste relatie boven een verliefdheid te stellen en bepleit meteen dat het goed is om eerdere relaties aan te gaan om de uiteindelijke relatie beter op waarde te kunnen schatten. 

Ze sluit af met een slotfragment uit de nogal sentimentele Australische dansfilm Strictly Ballroom (1992) waarin een afwijkend dansstel laat zien dat men kan winnen zonder te voldoen aan de standaardnormen. Als Smeets somber is, zet ze dit fragment op. Dat ze hiermee ook haar moeder een leuk verjaardagscadeau bezorgt, verraadt dat ze uiteindelijk een lief, kwetsbaar meisje is dat zich met enthousiasme en liefde voor raadsels een weg baant, maar aan het grote levensraadsel nog nauwelijks is toegekomen.  

Hier de blog Wiskundemeisjes met artikelen die ze samen met Jeanine Daems voor de Volkskrant maakt. 

Recensie: Een privékwestie (2012), Beppe Fenoglio



Zoektocht naar een oude vriend en mededinger op liefdesgebied

Vertaalster Pietha de Voogd bracht me op het idee om Een privékwestie te lezen, een roman die in Italië in 1986 door uitgever Einaudi werd uitgebracht. De Voogd sprak lovend over de roman, dat ze samen met Mieke Geuzenbroek vertaalde. Deze gaat over soldaat Milton die tijdens de Tweede Wereldoorlog een privékwestie heeft uit te zoeken met een oude vriend en moest een onontdekt gebleven meesterwerkje zijn. De Voogd is niet de enige die haar bewondering uitsprak. Paolo Giordano zegt op de achterflap dat hij deze roman elk jaar opnieuw herleest en Ernest van der Kwast is in zijn Voorwoord lyrisch over het verhaal: ‘Het eind van het boek leest als een droom, of in elk geval als een hallucinatie, en je weet niet of hetgeen wat Milton overkomt, echt gebeurt.’ Het is alleen jammer dat Van der Kwast nogal veel verklapt, dat een lezer liever nog niet wil weten.

Het verhaal is een onvervalste queeste, niet om een schat te vinden of om daar persoonlijk iets bij te winnen, maar om een bekentenis af te dwingen van een oude vriend Giorgio die inmiddels ook in het leger zit, maar een relatie zou hebben gehad met Fluvia, het meisje waar hoofdpersoon Milton nog steeds verliefd op is. Tijdens een patrouille komt de laatste langs het huis waar Fluvia eerder woonde. De huishoudster laat doorschemeren, dat het inmiddels naar Turijn gevluchtte meisje iets met Giorgio had. Milton is daardoor meteen van slag en wil de waarheid weten. Het lijkt voor de lezer inderdaad niet vreemd dat de hoekige, pas benoemde universiteitsprofessor Milton het moet afleggen tegen de mooie en goedgebekte Giorgio.

Om zijn oude vriend te zoeken legt Milton een moeilijke tocht af door het oorlogsgebied in Italiaanse Piemonte rond zijn woonplaats Alba. Allerlei partizanentroepen, waaronder de blauwen van Milton, die als Engelsen verkleed zijn, strijden tegen de fascisten. Als Milton van leden van de eenheid van Giorgio verneemt dat hun maat gevangen is genomen door de fascisten en naar Alba is overgebracht, besluit hij om een fascistische sergeant te vangen, die hij kan uitwisselen met Giorgio. Hij komt tot dit plan als hij bij een oude vrouw komt hem te eten geeft en zij hem vertelt van een buurvrouw die regelmatig een fascistische sergeant ontvangt. Hoewel Milton kans ziet hem gevangen te nemen, lukt het hem niet om hem naar Alba te krijgen. Tijdens een vuurgevecht schiet hij de sergeant dood.

Hoewel de zoektocht van kettingroker Milton door de regen en de modderige wegen zwaar is, is de stijl is af en toe wat over de top. Als hij zijn laatste sigaret in de natheid wil aansteken, krijgt hij dat niet voor elkaar. ‘Die laatste stak hij in zijn mond, maar toen lukte het hem niet ook maar het kleinste droge oppervlak te vinden waar hij de lucifer aan kon afstrijken.’
Hetzelfde geldt voor de angst voor het fascisme. ‘Het gebulder beneden in het dal stierf snel weg, maar vóór hij verder heuvelopwaarts liep, wachtte Milton tot de rilling die het lawaai van de vijand hem had bezorgd helemaal via zijn ruggengraat was afgevoerd. Hij hielp daaraan mee door zich zachtjes van top tot teen uit te schudden, en daarna ging hij weer op pad.'

Het laatste citaat laat meteen ook zien dat de stijl behalve overtrokken ook wat onbeholpen is.
Dat het verhaal wat uitgetrokken is, wordt duidelijk in het een na laatste hoofdstuk, waarin we een uitstapje maken naar het kamp van de fascisten, waar de moord op de gevangen genomen sergeant gewroken wordt op twee onschuldige jongens uit de omgeving. Tenslotte keren we in het laatste hoofdstuk terug naar de hoofdpersoon die met moeite op de been blijft. Echter niet op de manier die Mario Rigoni in Sergeant in de sneeuw beschrijft. De zoektocht van Milton blijkt geen succes maar strandt voortijdig. De confrontatie blijft daarmee uit. Al met al is Een privékwestie daarmee zowel qua stijl als inhoud een wat teleurstellende uitwerking van een veelbelovend thema.  

dinsdag 19 augustus 2014

Filmrecensie: Inside Llewyn Davis (2013), Joel en Ethan Coen






Desperate folkzanger moegebeukt door het leven

Het leven van een folkzanger vormt een boeiend onderwerp voor een film. Niet in de laatste plaats door de hartverscheurende, weemoedige nummers die er ongetwijfeld in te horen zijn. Inside Llewyn Davis is wat dat betreft een aardige vertegenwoordiger van het genre. De muziek is mooi en de slonzige vertolker ervan doet in de verte denken aan een mengeling tussen Bob Dylan en Leonard Cohen. Om de film levensecht te maken zien en horen we de nodige pop- en folkzangers die hun medewerking eraan hebben verleend. Zelfs de krullenbol van Bob Dylan zien we op de rug. Het zou de start zijn van een carrière die lijnrecht tegenover die van Llewyn Davis staat.

Inside Llewyn Davis begint met een knokpartij na een optreden van Davis in The Gaslight Café in Greenwich Village, New York 1961, de beginperiode van de popmuziek. Davis wordt in een achteraf straatje in elkaar geslagen door een onbekende man omdat hij de vorige avond kritiek had op het optreden van een vrouw. Achteraf blijkt het fragment te passen aan het eind van de film. We moeten eerst aan de weet komen hoe Davis aan lager wal is geraakt.

Een belangrijke factor in zijn neergang is ongetwijfeld de dood van Mike Timlin, een vriend met wie hij samen folkmuziek maakte. Daarnaast speelt ook de zwangerschap mee van het zangeresje Jean dat samen met haar huidige vriend Jim ook vaak optreedt in The Gaslight Café. Llewyn, die geen stuiver te makken heeft, moet als mogelijke vader aan geld komen om de abortus te betalen, terwijl hij al dermate armlastig is dat hij in huizen van vrienden de nacht doorbrengt.

Als hij het appartement van een professor met wie Llewyn bevriend is, wil verlaten ontsnapt diens kat. Het beest dat steeds de vrijheid zoekt blijkt een voortrekkersrol te spelen in de film. Llewyn doet alle mogelijke moeite het beest op te sporen. Als hij het die eerste keer gevangen heeft, blijkt de voordeur van de professor in het slot gevallen. Llewyn neemt het beestje mee naar Jim en Jean (Carey Mulligan), met wie hij bevriend is. De laatste is nijdig over zijn komst omdat ze hem ervan verdenkt dat hij haar zwanger heeft gemaakt. Tot overmaat van ramp ontsnapt de kat daar ook weer. Onderwijl doet Davis mee met een muzikaal trio om de abortus van Jean te kunnen betalen.

Het verhaal krijgt meer body als Llewyn met bestuurder Johnny van de beatgeneratie en een oude vermoeide jazzmusicus in een oude auto naar Chicago reist om daar zijn geluk te beproeven. De producer van de platenmaatschappij is in het geheel niet geïnteresseerd in de plaat Inside Llewyn Davis, die Davis hem aanbiedt, maar hij wil hem zelf horen. Llewyn brengt enkele nummers ten gehore maar overtuigt niet en krijgt het advies om samen met anderen te gaan zingen. Teleurgesteld gaat hij terug naar New York. Aldaar wordt hij na een optreden in The Gaslight Café in het donker in elkaar geslagen omdat hij een avond eerder kritiek had op een zangeres.

Wellicht zegt de kritiek van Llewyn op de vrouw veel over hemzelf. Over zijn eigen frustratie om niet meer aandacht te krijgen. Om niet verder te komen dan zijn eigen vader die vroeger Ierse folksongs ten gehore bracht en inmiddels in een verzorgingstehuis zit opgeborgen. Om afgetroefd te worden door Bob Dylan. Het is het liedje van het leven. Om doorleefd over de ellende van het leven te kunnen zingen moet de vertolker ervan de nodige tegenslagen en klappen geïncasseerd hebben. Maar teveel klappen zijn ook weer niet goed, lijken de gebroeders Coen te willen zeggen.

Hier de trailer, hier een uitgebreid artikel van Richard Williams in The Guardian van 10 januari j.l. waarin hij ingaat op de relatie tussen Dave Van Ronk en Bob Dylan, die aan de basis van de film ligt.

Filmrecensie: Norwegian wood (2010), Tran Anh Hung



Vrolijke popsongs overstemd door droefgeestige violen

De roman Norwegian Wood heeft het bedwelmend karakter dat Murakami in veel van zijn romans weet op te roepen. De bijzondere liefdesverhouding tussen Toru Watanabe en Naoko gaat niet over rozen. Naoko moet zelfs opgenomen worden in een herstellingsoord. Toru bezoekt haar daar. In het boek zijn die bezoeken omgeven met een mysterieuze sfeer. Weet de Vietnamees Tran Anh Hung, ondere andere de maker van Cyclo, die ook in zijn film te krijgen?

Norwegian Wood begint in 1967 met een contact tussen Toru Watanabe en Kizuki op de universiteit. Naoko kent Kizuki al van kind af aan en heeft een sterke vriendschapsband met hem. Al gauw echter maakt Kizuki een eind aan zijn leven door zich in een auto te vergassen, hetgeen in de film heel plastisch getoond wordt.

Toru vlucht naar Tokio om de nare bijsmaak kwijt te raken. Hij studeert, leest veel en werkt in een platenzaak. Hij gaat uit met een studiegenoot Nagasawa die graag vrouwen versiert, maar komt dan toch weer Naoko tegen. Hun beginnende relatie speelt tegen de achtergrond van de studentenopstanden die in navolging van Europa ook in Japan plaatsvonden. Over Kizuki spreken ze niet. Als ze voor het eerst met elkaar vrijen vraagt Toru aan Naoko of ze het eerder al eens met Kizuki gedaan heeft, maar dat heeft ze tot zijn verbazing niet en ze wil ook niet zeggen waarom niet.

Veel kans daar meer over aan de weet te komen is er niet, want Naoko is opeens verhuisd. Pas later krijgt Toru een brief waarin ze zegt dat ze in een rustoord in de buurt van Kobe is opgenomen. In diezelfde tijd later krijgt Toru kennis met studiegenote Midori, die hem min of meer aan het lijntje houdt. Haar moeder is overleden en haar vader is afwezig, maar ze vindt dat niet erg. Terloops vertelt ze hem in het ouderlijk huis dat ze al een vriendje heeft.

Als Toru een brief krijgt dat Naoko hem wil zien, gaat hij meteen op weg. Bij de ingang van de kliniek wordt hij opgehaald door Reiko, een muziekdocente en een patiënte die samen met Naoko woont en werkt en van hogerhand een oogje op Naoko moet houden als Toru met haar praat. Naoko vertelt hem iets over haar pijn. Ze valt flauw als Reiko het nummer Norwegian Wood van The Beatles speelt en vertelt later dat ze niet met Kizuki kon vrijen omdat ze frigide was en dat ze hem daarom oraal bevredigde, iets wat ze in het hoge gras ook met Toru doet.

Als Midori tegen Toru vertelt dat ze met haar vriendje heeft gebroken wat met hem wil, verkeert Toru in twijfel. Met Naoko gaat het psychisch niet goed en hij heeft haar beloofd dat hij haar niet in de steek zal laten. Het zijn nogal de dilemma’s die bij een kalverliefde horen en die uiteindelijk ook een nogal mager onderwerp voor de film vormen. Temeer omdat er vanwege de black hara weinig gecommuniceerd wordt en iedereen zijn motieven het liefst voor zichzelf houdt, zoals in het bijzonder voor Midori geldt. 

De bedwelming die Murakami in zijn boek zo mooi weet op te roepen, komt niet helemaal tot zijn recht in de film. Het melodrama ligt er in dikke plakken over uit gesmeerd waardoor het verhaal nogal uitgesponnen en sentimenteel wordt. Vrolijke popsongs worden steeds meer overstemd door droefgeestige violen. Toru weet op het eind niet meer waar hij eigenlijk is. Midori wil het liefst dat men niet ouder wordt dan een jaar of twintig. Het zou goed zijn als Japanners wat beter met elkaar leerden praten, dacht ik na afloop.

Hier de trailer

maandag 18 augustus 2014

Recensie: Sergeant in de sneeuw (2013), Mario Rigoni Stern



Proeve van menselijk uithoudingsvermogen in de waanzin die oorlog heet

De Tweede Wereldoorlog komt in de literatuur op velerlei wijze aan de orde gesteld, maar . het ooggetuigenverslag is vaak het meest indringend. Dit geldt voor de boeken van Primo Levi, maar ook voor dit debuut van Mario Rigoni. Zijn beschrijving van zijn martelgang als sergeant majoor in het Italiaanse leger tijdens de slag om Stalingrad in 1943 is van begin tot eind adembenemend.

Sergeant in de sneeuw is opgedeeld in twee delen. In het eerste deel bevindt het peloton van sergeant Rigoni zich in een loopgraaf aan de oever van de Don. De Russen zijn zo dicht tegenover hen gelegerd dat men elkaar kan zien en horen. Rigoni maakt sporadisch melding van brieven van zijn meisje. Alle levenskracht is nodig om te overleven. Dit geldt nog sterker voor het tweede deel als het peloton de onhoudbare stelling verlaat en de terugtocht onderneemt die een zelfs voor een Alpenman barbaars is.
‘Nadat ik mijn wanten had uitgedaan, voelde ik een onvoorstelbare stekende pijn in mijn handen en was ik niet in staat de kaas te snijden. Mijn handen deden niet meer wat mijn hersenen wilden. Ik keek ernaar als naar vreemde dingen die niet van mij waren, en ik moest huilen om deze arme handen die niet meer bij mij wilden horen.’
Dromen en herinneringen lijken echter dan de oorlog. De identiteit van Rigoni begint te vervagen. Wie is de enige die daar voortstrompelt eigenlijk? Het is aanlokkelijk om in de sneeuw te gaan liggen en vergetelheid te zoeken. Rigoni ontkomt niet aan dit verlangen maar wordt door een superieur weer op zijn benen gezet. Met het mantra Tot in het uur van onze dood op zijn lippen zet hij de ene voet voor de andere. Veel van zijn vrienden vinden de dood, vooral op 26 januari 1943, de dag dat er een hevige strijd gevoerd wordt.

Rigoni beschrijft het soldatenleven in eenvoudige woorden van binnenuit. Dat gaat van de stevige polenta die ze maken tot de zware verwondingen die ze oplopen. De spanning in de loopgraaf is slopend. De kogels fluiten hen om de oren. Iedere gevechtshandeling kan het einde betekenen. De terugtocht kan Rigoni zich niet helemaal meer herinneren. Soms moet zijn eenheid voor de grote colonne uit een dorp veroveren dat in handen is van de Russen. In de nacht dringt men een ibza, een hut, binnen, in de hoop dat die door de vijand verlaten is en dat men daar enige rust en iets te eten zal vinden. Rigoni krijgt last van dysenterie en komt nauwelijks vooruit vanwege een schrijnende wond aan zijn voet. Eenmaal veilig herkent hij zichzelf niet meer in de spiegel. Zijn groepsgenoten zetten hem aan om zich te wassen en te ontdoen van zijn zware baard en verzorgen zijn etterende voet. Vervolgens moet men opnieuw eindeloos de sneeuw in voordat men bij de trein komt die hen naar Italië vervoerd. Zelfs dan is het leed voor Rigoni nog niet geleden, maar dit valt buiten het bestek van dit boek.

Bijzonder is ook de mentale gesteldheid waarmee Rigoni de oorlog beschrijft. De vijand is net als hijzelf op weg gestuurd. Als Rigoni een vader van een gesneuvelde soldaat uit zijn groep verteld heeft dat zijn zoon omgekomen, kijkt de man naar het portret van Mussolini, bijt op zijn tanden en balt zijn vuist als Rigoni.
Bloedstollend is het moment dat Rigoni een Russische hut binnengaat en daar tot zijn verrassing een Russische eenheid aantreft die juist een maaltijd gebruikt.
‘Als versteend kijk ik ze aan. Ze zitten rond de tafel te eten. Met een houten lepel scheppen ze het eten uit een gezamenlijke soepkom. Zij kijken me aan, hun lepels bevroren in de lucht. (…) Er zijn ook vrouwen bij. Een van hen pakt een bord, vult het met een soeplepel melk en honing uit de gedeelde soepkom en reikt het me aan. Ik doe een stap naar voren, hang het wapen aan mijn schouder en eet. De tijd bestaat niet meer. De Russische soldaten kijken naar me. De vrouwen kijken naar me. De kinderen kijken naar me. Iedereen houdt zijn adem in. Er is alleen het geluid van mijn lepel in mijn bord. Van elke hap die ik neem.’
Deze anekdote brengt Rigoni ertoe op te merken dat de Russen niet anders waren als zijzelf. Dat zij allemaal onder hetzelfde juk leefden. Hij hoopt dat de kinderen die erbij waren zich de ervaring zullen herinneren en die in hun hart meenemen. Wie weet dat in de hedendaagse strijd in Oekraine dit soort ervaringen ook wel weer opgedaan worden in de waanzin die oorlog heet.
   
Een kleine moeilijkheid had ik met het onderscheid tussen bataljon, compagnie of peloton. Het was moeilijk voorstelbaar hoe omvangrijk de verschillende onderdelen waren. Ook de rangen van sergeant, kapitein of luitenant zijn voor een leek op legergebied moeilijk te plaatsen. Rigoni had ieder geval de leiding over een peloton Alpenjagers, dat peloton zwaar werd genoemd omdat men met zware wapens werkte.

Vertaler Asker Pelgrom had daarover in zijn nawoord iets kunnen uitleggen. Hij vertelt wel een en ander over de leven van Rigoni, die de bijnaam Stern kreeg. Hij deed eerder de nodige militaire ervaring op in de Alpen en bekwaamde zich later in het schrijven. In een concentratiekamp waar hij later door de Nazi’s werd opgesloten, schreef hij Sergeant in de sneeuw. Dit om de ontberingen in het kamp te boven te komen. In 1953 werd het boek op voorspraak van schrijver Italo Calvino door Einaudi uitgegeven.

De vertaling maakt onderdeel uit van een serie Oorlogsdomein van de Arbeiderspers. De uitgever kreeg voor deze uitgave van een Schwob-bijdrage van het Nederlands Letterenfonds.