Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.


Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

maandag 20 oktober 2014

Alexander Münninghoff over De stamhouder, VPRO-Boeken, 19 oktober 2014



Journalist schrijft over zijn duizelingwekkende familieverleden

De stamhouder van voormalig journalist van de Haagse Post en Sovjet-Unie correspondent Alexander Münninghoff (1944) gaat over zijn familie. Eerder schreef Münninghoff een biografie zowel over de schaker Hein Donner als over Max Euwe. Hij is zelf geen onverdienstelijke schaker want haalde zelfs drie keer een remise tegen Karpov.

Wim Brands zegt dat hij zich in de schaakwereld kon terugtrekken.
Münninghoff beaamt dat schakers escapisten zijn die zich graag terugtrekken in een parallelle wereld. Hij kon daarin vanaf zijn twaalfde jaar ontsnappen aan zijn familie.

Brands vat de vele complexe levensfeiten uit zijn echte wereld kort samen. De opa van Münninghoff deed zaken in Letland en kwam in de oorlog met een Russische vrouw terug naar Nederland. Hij spioneerde voor de geallieerden en deed zaken met de Nazi’s. Zijn vader groeide op in Letland en ging later bij de Waffen SS. Hijzelf ging met zijn moeder naar Duitsland maar werd door zijn opa weer ontvoerd naar Nederland. Brands vraagt wanneer Münninghoff op het idee kwam om een boek te schrijven over deze krankzinnige familiegeschiedenis.
Münninghoff vertelt dat dood van zijn vader in 1990 de aanleiding hiervoor was. Hij stierf aan lager wal en liet twee dozen met documenten na: een over de processen die hij had meegemaakt, een ander over een jonge Duitse vrouw die beweerde dat zij zijn dochter was en hem afperste, hetgeen zijn vader een vermogen kostte.

Brands is geïmponeerd door de familie waarin veel geld omging, terwijl hij met zijn moeder in Duitsland op zwart zaad zat.
Münninghoff antwoordt geheel in stijl dat het boek, waaraan hij vijftien jaar werkte, hem heeft geleerd dat een dubbeltje raar kan rollen. Het heeft zijn roze kijk op zijn vader weggenomen. Hij ontdekte dat zijn vader nooit van hem hield.  

Brands komt terug op de opa, die hij een sluwe opportunist noemt omdat hij van twee walletjes at. Hij gaf geld aan Juliana waarmee wapens gekocht konden worden en verkocht met zijn andere hand motoren aan Duitsland. Zijn vader zat in Oss in een katholiek internaat voordat hij naar de Waffen SS ging om zijn jeugd weer terug te krijgen. Toen zijn vader in de problemen kwam en in Scheveningen in de gevangenis belandde, haalde de grootvader van Münninghoff hem er weer uit. De grootvader stond in een goed blaadje bij de katholieken omdat hij had beloofd dat hij in Riga een kerk zou bouwen als hij van kanker zou genezen, hetgeen ook gebeurde.

Omdat het Brands duizelt, keert hij terug naar Münninghoff zelf, die ooit door zijn grootvader ontvoerd werd.
Münninghoff zegt dat zijn opa hem terug wilde hebben omdat zijn kleinzoon stamhouder was. Het was zijn redding. Anders was hij een Duitser geworden en hij is toch liever Nederlander. De ontvoering leek op een maffiafilm. Hij kwam netjes gekleed aan bij zijn familie in Vught. Daardoor zag hij echter achttien jaar lang zijn moeder niet. Omdat hij haar toestemming nodig had om te trouwen ging hij met zijn aanstaande vrouw naar haar toe. Dat was rampzalig. Ze was getrouwd met een dikke stofzuigerverkoper die overigens verdienstelijk kon pingpongen.

Brands vraagt wat de wisselende geldstromen met hem gedaan hebben.
Niets was voorspelbaar, zegt Münninghoff. Hij moest het familieverhaal opschrijven omdat de werkelijkheid, zoals altijd, niet eenduidig was. Het meest onbegrijpelijke van zijn familie vond hij dat zijn vader in Oss opeens Nederlander moest worden. Het maakte dat hij later een haat koesterde tegen alles wat Nederlands was. Na de oorlog wilde hij net zo rijk worden als zijn vader maar dat lukte niet.

Brands vraagt of hij zich door zijn ervaringen beter kon redden in de wereld.
Münninghoff zegt dat hij altijd onafhankelijk bleef. In het conflict in Oekraïne zou hij zelf naar de andere kant van de waarheid zoeken.

zondag 19 oktober 2014

Filmrecensie: We need to talk about Kevin (2011), Lynne Ramsay



Naargeestig drama over een wanhopige moeder

‘We need to talk about Kevin,’ mailt Eva Khatchadourian, de moeder van Kevin aan haar man Franklin. Ze is dan op haar werk in een reisbureau en voorvoelt dat het niet goed gaat. Ze is echter net te laat. Ze zal haar man nooit levend meer kunnen bereiken en het schoolschuttersdrama dat we zo goed kennen van het nieuws over Amerikaanse middelbare scholen is al volop bezig.

In de film zijn we getuige van de chaos die dit in het hoofd van Eva veroorzaakt. Het drama wordt in de signaalkleur rood scherp in beeld gebracht. Eva is in een droom bij een massaal tomatengevecht betrokken en met die kleur wordt ook het huis beklad waarin Eva met haar man Franklin en hun twee kinderen Kevin en Celia woonde. Het is aangrijpend hoe Eva, boos aangestaard door buurtbewoners, de verf van de muren probeert te schuren en de ramen probeert schoon te maken. De beelden tuimelen door elkaar heen tot we langzamerhand meer greep krijgen en een overzicht van hetgeen er in het gezin aan de hand was.

Het begint met de huilbaby en de moeite die het Eva kost om daarmee om te gaan. Ze wordt ook gevoelig voor andere geluiden, zoals een drilboor die ze op straat hoort. Die werkt zo verlammend dat ze niet eens verder kan lopen met de kinderwagen. Ze heeft een en ander gelezen over autisme en gaat een bal met de peuter Kevin over rollen. Hij rolt de bal niet terug, maar soms opeens weer wel. De arts die Eva raadpleegt zegt dat Kevin niet het stereotype gedrag van een autist vertoont. Het is jammer dat Eva zich daarmee tevreden stelt, want nadere hulp had veel problemen kunnen voorkomen. 

Eva trekt zich de opvoedingsproblemen persoonlijk aan. Haar man Franklin bevestigt haar daarin, te meer omdat Kevin tegen hem wel normaal doet. Toch is Franklin de beroerdste niet. Hij doet zijn best om de toestand te normaliseren. Het gezin verhuist naar een groter huis en Eva neemt een baantje in een reisbureau. Helaas krijgt ze weinig steun van collega’s, die haar maar een vreemde eend in de bijt vinden.

De relatie tussen haar en Kevin verslechtert als hij de kleuterfase ontgroeid is en moedwillig de landkaarten die ze in haar kamer heeft opgehangen met verf besmeurt. Het wordt erger als hij in zijn broek heeft gepoept om zijn moeder dwars te zitten. Hij maakt een hatelijke opmerking nadat ze zijn luier heeft verschoond. Zij gooit hem op de grond en daarbij breekt hij een arm. Als Kevin met zijn arm in het gips uit het ziekenhuis komt, laat hij zich tegen zijn vader niet uit over de oorzaak en ook Eva houdt haar mond dicht.

De enige keer dat Kevin warmte bij zijn moeder zoekt is als hij ziek is en zij hem voorleest uit Robin Hood, maar als zijn vader een pijl en boog voor hem koopt, is hij weer net zo onaardig tegen zijn moeder als eerder. De toestand loopt verder uit de hand als Kevin er een zusje bij krijgt en haar op allerlei manieren het leven zuur maakt. Alsof het niet genoeg is viert hij tenslotte zijn onlust bot op zijn schoolgenoten.

De film is gemaakt naar het gelijknamige boek van Lionel Shriver dat als een brievenboek is geschreven door Eva aan haar man. Het zou handelen over het aangeboren kwaad dat in een mens kan schuilen. De gemene blik van Kevin in de film doet zoiets vermoeden, maar overtuigt niet. Dat is anders met de bezorgdheid van de moeder, die zich verantwoordelijk voelt voor haar zoon en vreest dat zijn uitvallen met haar onzekerheid te maken hebben. et heHH  

Hier de trailer.

zaterdag 18 oktober 2014

Theaterrecensie: Dag vlieg, René van ’t Hof, Toneelschuur, 17 oktober 2014



Wrang beeld van het leven van een oude man

De manier waarop René van ’t Hof in de theatervoorstelling Café Lehmitz (2012) aan een krakkemikkig tafeltje vooraan het podium een gevulde koek opeet, staat nog in mijn geheugen gebrand. Sljemiel Lou pakt de delicatesse in het café met veel aandacht uit, eet elke hap met alle zintuigen en schudt aan het eind de laatste kruimels nog eens uit de krant waarin de koek verpakt is.

De eerste beelden van Dag vlieg, met een decor waarin de slaapkamer een centrale plaats inneemt, zijn net zo hilarisch. Een oude man die moeilijk ter been is, komt met moeite zijn bed uit en begint, steunend met zijn handen op het matras, aan zijn ochtendgymnastiek die door de radio wordt uitgezonden. Dat hij vervolgens het laken en het kussen van het bed wegtrekt en opruimt moet al tot een bepaalde conclusie leiden. Deze wordt in de loop van het stuk steeds duidelijker.

Fraai is opnieuw de woordloze bewegingskunst van Van ’t Hof als oude man, die zich in zijn afhangende witte onderbroek onzeker wankelend door zijn appartement sleept. Als hij de lampen aandoet in de woonkamer annex keuken, waarin het dubbele interieur spiegelbeeldig is geplaatst, blijkt dat de ene lamp het niet doet. De zware bril die op tafel is gelijk aan de bril, die hij al draagt en zorgt meteen voor een humoristische noot. Een eiken kamerstoel is nauwelijks van zijn plaats te krijgen. De afhangende deuren van de keukenkastjes schuren over de vloer en blijven daar soms in steken. Zo zijn er meer voorbeelden te geven van de hulpeloosheid van de oude man. Het is vooral een manier om het lachende publiek straks een schuldbewust gevoel te geven.

Als de oude man na alle verwikkelingen tenslotte rustig aan tafel zit met een wijnglas gevuld met water voor zich, krijgt hij te maken met een vervelende bromvlieg. Hij rolt voorzichtig zijn placemat op om daarmee de vlieg dood te meppen. Als dit niet lukt, sluit hij vriendschap met zijn belager en vereenzelvigt met hem. Hij geeft uiting aan zijn transformatie met soepele dansbewegingen en puur genot.

Het zou een zonnig einde van deze eenakter zijn geweest, maar het spel gaat verder en wordt grimmiger, de jacht op de vlieg agressiever. De radio die eerder onverstaanbare stemmen voortbracht, zendt nu onbeduidende spelletjesprogramma’s uit. In de gang achter het appartement klinken van tijd tot tijd stemmen en geluiden die de eenzaamheid van de oude man versterken. Het gehei aan de voorkant dreunt door de stilte heen.

Dag vlieg zou als een persiflage gezien kunnen worden op het gebrek aan zorg dat in 2015 dreigt door de onzalige bezuinigingsplannen van het huidige kabinet, maar er is ook iets te zeggen voor een existentieel probleem. Het motto van Hemingway dat ieder verhaal treurig eindigt als je maar lang genoeg doorvertelt, geeft daar aanleiding toe. Groots in ieder geval de finale waarin de zwarte humor tot een hoogtepunt komt als de zware kamerstoel op de wiebelige boxspring wordt geplaatst en de oude man daarop balanceert. Diens toestand wordt door het komische effect nog wranger. De vlieg bromt nog steeds.    

Dag vlieg werd niet alleen gespeeld maar ook bedacht door Van ’t Hof en geregisseerd door Beppie Melissen, met wie Van ’t Hof in 1989 Carver oprichtte. De lange samenwerking resulteert in een vlekkeloze voorstelling, die moeiteloos door Van ’t Hof gedragen wordt.  

Hier mijn bespreking van Café Lehmitz met een link naar de scène met de gevulde koek op YouTube 

Recensie: Een dwaze maagd (2014), Ida Simons


Jonge getalenteerde vrouw blijft overeind in moeilijke levensomstandigheden

Een dwaze maagd is een heruitgave van de gelijknamige titel uit 1959. Eva Cossee zag de roman bij haar ouders in de kast staan en begon erin te lezen. Ze was zo geboeid door het min of meer autobiografische verhaal van Ida Simons dat ze het zonde vond dat de roman uit de schijnwerpers verdwenen was. In de laatste (en eerste) aflevering van Schwobfest werd Een dwaze maagd door Arjen Fortuin gepitcht.

Het verhaal gaat over de twaalfjarige joodse Gittel, die - net als Ida Simons - in Antwerpen wordt geboren maar vanwege de oorlog nemen haar ouders de wijk, eerst naar Scheveningen en later Den Haag. Haar ouders kunnen niet goed met elkaar omgaan. Op zon- en feestdagen vochten ze als kat en hond, luidt de statement daarover in de roman. Haar vader is daarbij ook nog eens onhandig in zaken. Gittel heeft veel steun van haar schoolvriendinnetje Mili. Als de huwelijkscrisis te hoog oploopt gaat Gittel met haar moeder Thea naar haar grootmoeder in Antwerpen. Het geheen-en-weer tussen Nederland en Antwerpen en een keer zelfs ook Berlijn, vormen de getijdenbewegingen van dit boek.

In Antwerpen woont grootmoeder in een enorm huis met de nodige dienstboden en daarnaast woont een eraan vastgeknoopte familie met een mater familias, die oma Hofer wordt genoemd. Daartegenover woont een welgestelde bankier Mardell met zijn bijna dertig jarige dochter Lucie die met Gittel contact aanknoopt omdat ze in haar huis op de vleugel kan oefenen. Verderop woont nog een barones en haar aanhang die door de moeder en Gittel wordt opgezocht als de vuur onder hun voeten te warm wordt.

Langzamerhand wordt de integere Gittel, die later graag concertpianiste wil worden, de speelbal van de ingewikkelde familieverhoudingen. De intriges rond de verloving van Lucie met de 23-jarige bankwerknemer Gabriel kost de goedgelovige Gittel haar gemoedsrust. Lucie wil dat ze de relatie geheim houdt, maar bij toeval raakt oma Hofer ervan op de hoogte, waardoor Gittel en ook in haar netten verstrikt raakt en tenslotte nog in die van weduwenaar Mardell die haar in vertrouwen neemt en de doem uitspreekt als Gittel dat beschaamt.

Simons schrijft de belevenissen van Gittel met vaart, humor en ironie op maar soms worden al die cholerische familiebetrekkingen, zoals Gittel die zelf noemt, wel een beetje veel. Ik hoorde de naam Joop ter Heul tijdens het lezen in mijn oren rond zoemen, hoewel ik nooit een boek over haar gelezen heb. Het is een soort meisjesliteratuur, een chicklit uit de betere kringen en dan nog spelend in een joods milieu. De taal doet soms wat ouderwets aan, maar misschien komt dat door de Vlaamse invloed, zoals dat er geen kijk op was dat ze het eerste halfjaar naar Nederland zouden teruggaan, waar wij zicht schrijven.

De schildering van een knap meisje dat verslagen maar toch onverschrokken naar ons kijkt de op de omslag moet de lezer naar het boek toetrekken. Gittel is helemaal niet knap, zegt ze zelf. Wel weer aardig is dat Simons oog heeft voor de fantasiewereld waarin Gittel nog leeft. Samen met Mili speelt ze een fictief spel van de mevrouwen Antonius en Nielsen. Later wordt deze fantasiewereld minder onder invloed van het ouder worden van Gittel. Alleen de spin Klembem laat nog af en toe van zich horen. ‘Een heel enkele keer hoorde ik nog wel zijn akelige stemmetje en ik wist dat ook dat gauw over zou zijn.’

De titel van de roman is ontleend aan een uitspraak van meneer Mardell waarmee hij Gittel waarschuwt om later als ongetrouwde vrouw niet met lege handen te staan, Hij refereert aan een parabel uit de bijbel waarin wijze maagden olie in hun lampen meenamen en de dwaze niet. De integere Gittel blijft overeind ondanks de geschetste moeilijke leefomstandigheden.  

In het nawoord Een wijze vrouw schrijft oud docente Nederlands Mieke Tillema, die ook een biografie van Ida Simons (1911-1960) bezig is, over de goede receptie van de roman in 1959 en de ontsteltenis over haar vroege dood. Wellicht horen we in de biografie meer over de moeder van Ida, want in de roman blijft die onderbelicht.  

Hier mijn verslag van een les poëzie door Mieke Tillema, hier Arjen Fortuin over De dwaze maagd op Schwobfest.




vrijdag 17 oktober 2014

Adèle Bloemendaal- Eens wil ik ervan af zijn (2014), documentaire van Maarten Mourik



Een nieuwe Henk van der Meyden gluurt door het sleutelgat

Maarten Mourik verdiepte zich in het verleden van Adèle Bloemendaal (1933) vanwege zijn regie van een theaterprogramma in januari 2013 naar aanleiding van haar tachtigste verjaardag. Hij kwam daardoor zo in de ban van deze flamboyante zangeres, actrice en cabaretière dat hij haar wilde interviewen, niet een keer maar zelfs vier keer. De qua gezondheid broze Adèle hield het lang af, maar de ooit rijke vrouw die tegenwoordig moet rondkomen met de AOW-uitkering werd tenslotte verleid door cadeaubonnen voor haar kleinkinderen.

De gesprekken in haar appartement aan de Amsterdamse Snoekjesgracht zijn erg rommelig, zo ze de deur al opendoet. Het begint er de eerste keer al mee dat Adèle discussieert over de juiste belichting. ‘Waarom zou je een mens lelijk maken,’ brengt ze uit terwijl ze nog eens haar blonde haren fatsoeneert. Haar siamezen onderbreken af en toe het gesprek voor aandacht. Ook gaat de telefoon. Het is iemand van de Volkskrant die naast het interview met haar een aparte afspraak wil maken voor de fotograaf. ‘Geen denken aan,’ zegt Adèle. ‘Eens wil ik ervan af zijn.’  

De inhoud is weinig boeiend. Onderwerpen zoals over haar eerste huwelijk op twintig jarige leeftijd met een tien jaar oudere man met wie ze naar de Verenigde Staten ging en over haar latere relatie met de overspelige Donald Jones kan men wel op het internet vinden.
Vragen over haar verschillende beroertes zijn nogal impertinent, laat staan die over haar einde. Adèle laat zich inpakken door cadeautjes en lekkernijen die Mourik meebrengt. Ze zegt dat ze soms moeite heeft bepaalde woorden te vinden, maar dat het haar niets kan schelen dat dit gezien wordt.

Een goede moeder voor John, die in 1963 geboren werd uit haar relatie met Jones, was ze niet, erkent ze. Het werd pas leuker toen de jongen een jaar of acht was. De huiselijkheid was vanwege haar drukke agenda echter ver te zoeken en het was beschamend dat haar zoon haar dronken zag, geeft ze toe. Haar katten houdt ze eronder met de plantenspuit, al kan die niet elke irritatie over hun vraag naar aandacht onderdrukken.

Ze leed aan podiumvrees nadat ze eens belazerd was door een producent die haar niet betaalde voor een soloprogramma. Een psychiater vertelde haar dat vrees altijd met woede te maken heeft. Ze realiseerde zich dat ze helemaal niet meer op de planken wilde staan.

Mooi maar ook weer schrijnend was een verhaal van Adèle over haar tachtigste verjaardag die ze doorbracht in het Amstel Hotel. Ze was daar al eerder voor opnames en kreeg toen toestemming om de nacht door te brengen in een suite met een mooi uitzicht, maar op haar tachtigste verjaardag kreeg ze een andere kamer toegewezen, die haar in de nacht tegenstond, waarop ze een vriend belde om haar op te komen halen omdat ze toch liever thuis sliep. ‘Waarom vertel ik dit eigenlijk?’ vraagt ze zich na dit verhaal af.

Een liefdevol portret wordt de documentaire genoemd, maar die aanduiding moet ongetwijfeld het gebrek aan liefde verhullen, want anders had Mourik afgezien van zijn project. Liever had men een paar liedjes kunnen uitzenden van ’t Schaep met de vijf pooten. We zijn toch op de wereld om mekaar te helpen, nietwaar? 

De vier moeizame gesprekken worden afgewisseld door oude fragmenten, zoals liedjes of een optreden met Rijk de Gooyer. Aan het eind lezen we dat Adèle een half jaar na de opnames naar een bejaardenhuis ging en vervolgens vanwege een nieuwe beroerte naar een revalidatiecentrum. Het laatste nieuws is dat ze uit het revalidatiecentrum ontslagen is en weer terug is in het bejaardencentrum.

Hier ’t Schaep met het heerlijke Het zal je kind maar wezen.