Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



zondag 17 januari 2016

Theaterrecensie: Wachten op de barbaren, Toneelschuurproducties, Toneelschuur, 16 januari 2016


Krachtige voorstelling over het zien van wat er om ons heen gebeurt

Het grote rechthoekige podium, bedekt met snippers van rubber en met een grillige kloof erin, roept de nodige verwachting op over een verdeelde wereld en krijgt in de eerste beelden een sterk vervolg. De voorstelling Wachten op de barbaren onder de regie van Michiel de Regt neemt happen uit de tekst van de gelijknamige roman van Coetzee, die uitkwam in 1980. Deze wordt uitgesproken en soms ook verbeeld door Jan Paul Buijs en versterkt door drie jonge vrouwen in dunne onderjurken die met hun lenige lijven een extra dimensie aan het verhaal toevoegen, dat ook nog eens ondersteund wordt door krachtige muziek uit de boxen aan de donkere wanden.

Dat verhaal gaat over een gezapige magistraat die in dienst is van een groot rijk en op zijn oude dag te maken krijgt met een bedreiging van buiten, van barbaren zoals zij door de geciviliseerde medemens genoemd worden. De fabel, zoals het verhaal genoemd wordt, kan zich overal afspelen. Coetzee, die gepokt en gemazeld werd in de tijd van de apartheid en daar in al zijn boeken op indrukwekkende wijze uiting aan geeft, zal het beeld voor ogen hebben gehad van zwarten die de gated communities van de blanken proberen binnen te dringen, in onze tijd zijn het oorlogsvluchtelingen die door sommigen voor horden worden aangezien die onze welvaart zullen afnemen en daarom uit alle macht buitengehouden moeten worden.  

Buijs begint aan de rand van het podium met de sterke opening van het boek, waarin de magistraat zo’n machtswellusteling ontmoet in de figuur van kolonel Joll van het Derde Bureau, die een expeditie tegen de barbaren moet gaan leiden. Joll draagt twee donkere glazen schijfjes die in lussen van ijzerdraad voor zijn ogen hangen. De magistraat denkt dat hij blind is, maar het blijkt een nieuwe uitvinding te zijn, die de ogen moeten beschermen tegen de straling van de zon. De symboliek voert verder en gaat, zoals de hele voorstelling, over zien, niet gezien kunnen worden, niet willen zien. De magistraat heeft er zelf ook last van. Hij ziet uit naar zijn pensioen, doet zijn werk en heeft onderwijl zijn hobby’s zoals het (laten) verrichten van opgravingen en het lijfelijk genieten van jonge vrouwen, al gaat dat op zijn leeftijd niet altijd zo gemakkelijk meer.

De droom van de magistraat over een vrouwelijke gevangene toont diens verdorven aard. Hij kan alles met haar doen. ‘Ik slaap, wordt gewekt door een nieuwe serie dansliedjes op het plein, val weer in slaap en droom van een lichaam dat languit op zijn rug ligt, met een weelde van zwart en blond schaamhaar dat vochtig glanst op de buik, in de liezen, en als een pijl afdaalt in de voor van de benen. Als ik een hand uitstrek om het haar te strelen, begint het te krioelen. Het is een geen haar maar een menigte bijen, die dicht op elkaar klitten: van honing doordrenkt en kleverig kruipen ze uit de voor en waaieren met hun vleugeltjes.’  
Een van de vrouwen evenaart met haar lijf ondertussen dit sterke poëtische beeld van Coetzee.

De moeilijke relatie tussen Joll en de magistraat wordt benadrukt door de snippers rubber, die ze van het podium afschoppen om hun standpunten kracht bij te zetten. De magistraat zoekt afleiding bij een gevangen genomen barbaarse vrouw die blind lijkt te zijn, in ieder geval immuun voor zijn toenadering is. Dit wordt fraai weergegeven door de woorden die de magistraat letterlijk uit haar mond trekt. Zijzelf verbeeldt met haar handen hoe hij haar wast, maar vervolgens blijkt hij niet bij machte zich aan haar te vergrijpen. Hij wil haar wegbrengen en doet dat ook als de sneeuw weglekt en de lange winter zijn greep op het land verliest, maar ondervindt bij terugkeer geen beloning voor zijn edele daad, integendeel.  

De pure lijfelijkheid van de vrouwen versterkt de heftige emotie die in de tekst zit. Heel mooi is dit te zien als de magistraat gevloerd is na zijn besluit de gevangen vrouw terug te geven aan haar volk. De vrouwen komen als een kluwen op hem af, lijken hem te verslinden in hun rollende beweging, maar laten hem tenslotte ook weer los. Als de kruitdampen eenmaal opgetrokken zijn en de hele strijd voor niets geweest blijkt te zijn, treurt hij om haar. Zijn idee om buiten de geschiedenis om te leven is een illusie gebleken. In een mooie slotrede ziet hij haar nog eens terugkomen samen met anderen die zullen genieten van het product van hun arbeid, hun brood met moerbeienjam. ‘Er staart me al lange tijd iets in het gezicht, denk ik, en toch zie ik het niet.’ De laatste woorden worden in het volle licht uitgesproken.

De maagdelijke sneeuw buiten op straat is inmiddels alweer tot prut geworden. De wereld is vol van dode vluchtelingen die aanspoelen aan de randen van ons rijk. Inwoners, boos over de kansen die hen ontnomen wordt, reageren hun woede af op deze slachtoffers van de oorlog. In Amsterdam trokken vandaag mannen minirokjes aan om het op te nemen voor vrouwen die met barbaren te maken krijgen. Eenmaal terug in de warmte van mijn huis krijg ik een email van de Toneelschuur om te reageren op de voorstelling met het oog op de première van komende donderdag. Daar hoeft niets aan te veranderen, zou ik zeggen. Dit was af!

De namen van de vrouwen wil ik zeker niet ongenoemd laten, temeer omdat ik hun grote lijfelijke prestaties, naast die van Buijs die anderhalf uur lang aan het woord was, te weinig onder woorden heb kunnen brengen: Inés Belda Nácher, Majon Schot en Orla McCarhy. Zij werden begeleid door choreograaf Iván Perez. De voorstelling kwam tot stand uit een samenwerking tussen Toneelschuurproducties en Korzo producties. De foto tenslotte is van Annaleen Louwes.

Hier meer informatie over de voorstelling op de site van de Toneelschuur, waaronder een trailer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen