Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



woensdag 20 april 2016

Recensie: Het tumult van de tijd (2016), Julian Barnes


Een blik in het hart van een vernieuwend componist

Julian Barnes schetst in de roman Het tumult van de tijd een aangrijpend beeld van de Russische componist Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975), die zwaar gemangeld werd door Stalin en zijn hielenlikkers. De man die alles gaf voor zijn muziek, maar daarnaast ook graag een volleybal- of tenniswedstrijd floot, kon niet anders dan toegeven aan de druk van het Sovjet bewind dat hem vermoordde door hem te laten leven, zoals Barnes schrijft. De niet te dichten kloof tussen artistieke oprechtheid en persoonlijk geweten maakt van Sjostakovitsj een voorbeeld bij uitstek van iemand die door het leven in een zware crisis wordt gestort en daaruit naar boven komt als een lafaard die door anderen met de nek werd aangekeken.

Dat laatste speelde zich na de tijd van Stalin, toen de Sovjet-Unie een getalenteerd componist nog steeds goed kon gebruiken om de communistische waarden uit te dragen. Sjostakovitsj die zeer tegen zijn zin voorzitter van de Componistenbond was geworden en daar het partijlidmaatschap mee inbegrepen kreeg, hoefde niet meer bang te zijn om vermoord te worden. Als er iemand aan de deur kwam bracht die een te publiceren artikel voor de Pravda waar hij alleen zijn handtekening onder hoefde te zetten. Omdat hij dat deed kreeg hij de kritiek van vooraanstaande Russische dissenten als Solzenitsyn en Sacharov op zijn dak. Barnes laat van binnenuit zien hoe dat zover kwam.

Aangrijpend is het beeld van de man die in de nacht op de overloop, zoals de titel van het eerste deel luidt, op de mensen van de geheime dienst wacht. Om zijn vrouw en kinderen de inval van de NKVD te besparen, staat hij in alle eenzaamheid met zijn koffertje voor de lift. Aanleiding voor dit trieste feit is zijn opera Lady Macbeth uit het district Mtsenk, die in 1936 door Stalin werd bijgewoond, werd afgekeurd als niet geschikt voor het volk, hetgeen het doel van kunst moest zijn. In dit verband haalt Barnes een aardige anekdote aan over een studente van Sjostakovitsj, die, gevraagd naar het doel van de kunst, daarop geen antwoord kan geven, zelfs al legt Lenin op een doek op de achtergrond haar die in de mond. Sjostakovitsj beloont haar in ieder geval met een hoog cijfer. Over kunst kan niets gezegd worden. Daarover past het zwijgen.

Sjostakovitsj groeide op als zoon van een rentmeester op een landgoed in de buurt van Sint Petersburg en woonde met zijn ouders in een huis met verkeerde afmetingen. ‘ De kamers waren gigantisch maar de ramen piepklein.’ Later acht Sjostakovitsj de woning symbolisch voor het Sovjetbewind. Hij wordt volwassen in een revolutionaire tijd waarin de vrije liefde opgang doet en beleeft die met de 19 jarige Tanja in Anapa in de Kaukasus. Helaas duurt het samenzijn te kort om uit te groeien tot een levenslange verbintenis. Sjostakovitsj begon met zijn muzikale carrière maar werd al snel gekapitteld. Een kunstenaar werd gezien als een ingenieur van de menselijke ziel en diende zijn talent voor het volk aan te wenden, hetgeen tegen zijn zere been was, zoals uit een fraaie herinnering blijkt:

Hij herinnerde zich een openluchtconcert in een park in Charkov. Zijn Eerste symfonie had alle honden uit de buurt doen blaffen. Het publiek had gelachen, het orkest was harder gaan spelen, de honden waren nog meer gaan blaffen, het publiek was nog meer gaan lachen. Nu had zijn muziek grotere honden doen blaffen. De geschiedenis was bezig zich te herhalen: de eerste keer als tragedie, de tweede keer als klucht.’  

Zijn tegendraadsheid leidt in 1937 naar het kantoor van de geheime dienst, maar na een oproep om nog eens goed na te denken over zijn band met een maarschalk die een coupe poging wilde plegen, hoort hij niets meer. Zijn leven krijgt een merkwaardig vervolg als Sjostakovitsj de kritiek op zijn opera pareerde met zijn Vijfde symfonie. Omdat de ironie daarin door Stalin niet werd begrepen, leidde het tot een rehabilitatie na de Tweede Wereldoorlog, maar vooral omdat Stalin hem goed kon gebruiken als paradepaardje voor de Sovjet idealen.

Barnes schetst in een soepele stijl, die gemakkelijk leest, het leven van Sjostakovitsj aan de hand van drie tijdsintervallen: het moment waarop hij met het eerder genoemde koffertje op de overloop staat te wachten, tijdens een terugvlucht van een cultureel congres in 1949 in New York waar de Russische delegatie eerder werd weggestuurd vanwege de ideologische verschillen en tenslotte vanuit een luxe wagen met chauffeur, waarin hij aan het eind van zijn leven werd rondgereden als een gevierd componist. Wat het tweede deel betreft was het jammer dat de naar de Verenigde Staten gevluchte Stravinsky niet op het congres kwam opdagen. Wellicht had contact met de componist die Sjostakovitsj zeer bewonderde, maar in een door de partij geschreven toespraak veroordeelde Sjostakovitsj ander inzicht gegeven. In ieder geval boog hij niet voor Nicolas Nabokov, die, zo lezen we in het naschrift van Barnes, voor de CIA werkte.

Barnes gebruikt verschillende kwalificaties om de angst van Sjostakovitsj te beschrijven. Als kind was hij al bang voor grijparmen, op 31 jarige leeftijd vergelijkt hij zich in gezelschap van vrouwen als een metronoom die altijd verkeerd staat afgesteld waardoor hij bijna nog met een verleidelijke prostitué trouwde en nadat hij vader is geworden, voelt hij zich nog steeds een verdwaald jongetje. Schrikkeljaren boezemen hem schrik in. In een tumultueuze periode van de Russische revolutie, een tijd die voor de hoofdpersoon maar niet tot rust wil komen net als eerder gold voor Tony in Alsof het voorbij is (2011), werd Sjostakovitsj ingezet als pion in het politieke bedrijf en zijn manier om zich met het gebruik van ironie staande te houden, had ook zijn grenzen, waardoor hij opgesloten raakte in zijn rol en een man werd die hijzelf verfoeide. De rol van lafaard was niet eens zo gemakkelijk, schrijft Barnes. Sjostakovitsj kreeg steeds meer last van tics. Gelukkig klinkt er tenslotte de ode aan de muziek tijdens een toost op een station met een bedelaar. De drieklank die de glazen veroorzaken, blijft achter in het hoofd van de lezer en vormt een aanwijzing dat kunst het altijd wint van politiek.  

Hier mijn bespreking van Alsof het voorbij is.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen