Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



zondag 7 augustus 2016

Recensie: De laatste lach (1997), R.A. Basart


Het leven een doolhof met Fellini-achtige kenmerken

Het verschijnen van de nieuwe roman De verzoening (2016) van schrijver R.A. Basart (1949) die na een paar goed besproken gedichtenbundels in het onderwijs aan de slag ging, maakte me nieuwsgierig naar zijn debuut De laatste lach (1997). De titel deed me denken aan het spreekwoord wie het laatst lacht, maar daarover kreeg ik in de roman geen uitsluitsel. Er waren meer zaken waar ik geen chocola van kon maken. Het feit dat er regels zijn weggevallen maakte het er niet eenvoudiger op om de betekenis te duiden. Het verhaal gaat in ieder geval over hoofdpersoon Adam Beek, een leraar Nederlands die in een identiteitscrisis belandt waarin literatuur en leven op een moeilijk te ontwarren manier door elkaar heen lopen.

De belevenissen van Beek doen denken aan de verhalen van een andere leraar Nederlands, L.W. Wiener, die op 12 mei j.l. de laudatio voor De verzoening uitsprak, maar De laatste lach is, anders dan de romans van Wiener, grotesker, barokker, minder privé en vooral minder gemakkelijk te duiden. Het duidelijkst zijn de stukken in het klaslokaal van Beek, al gaan die ook een absurde kant op, waardoor Beek op een gegeven moment de toegang tot de school ontzegd wordt. De conciërge op de school van Beek, een man van de oude stempel die niets wil weten van digitalisering, herinnert zich dat hij eens op het eind van een middag een been uit een wc zag steken en merkt later op dat Beek de vapisseur heeft ontvreemd. Later vernemen we de ware naam van het apparaat, een vaporisateur, die door hem als plantensproeier gebruikt werd.

De leerlingen, die door Beek met hun nekhaar aangeduid worden, ruiken het onraad al:
Het nekhaar draait. Nog meer teringlijders, onzeker grijzend. Want er is iets loos. Er is iets loos met de leraar – maar wat? Hij klopt op zijn heupen. Brengt een sigaret tevoorschijn, plat ding, vrijwel leeggelopen. Hij breekt het mondstuk af. Breekt drie lucifers. Een lange vlam schiet naar het restje tabaksgruis. Eén oog dichtgeknepen slaat hij met het brandend houtje om zich heen, door dwarrelende grijze vlokken. Toch is het bovenal zijn zware aftershave die zich meedeelt aan de voorste rijen.’  
Op weg naar huis na het gesprek met de directeur komt hij een knappe leerlinge van hem tegen die een lift van hem krijgt en dat leidt weer tot brokken. Beek heeft het al niet gemakkelijk met zijn vrouw en zijn vrienden. Zijn leven is een doolhof, waarin hij de lezer laat verdwalen.

In het verhaal komt een manuscript ter sprake dat uit de gevangenis gesmokkeld is. Beek, die een bureau is begonnen om schrijfsels van beginnende auteurs te beoordelen, probeert het als een product van hemzelf aan de man te brengen. Het leidt tot een verhaal in een verhaal waarvan de verschillende lijnen moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. In het tweede deel gaan we terug naar de middelbare schooltijd van Beek, waarin wij de flamboyante Vernon Cohen leren kennen die als Coen door het leven gaat en een bureaumedewerker van Beek wordt. Aan het eind van hun vriendschap gaat Beek ervan door met Meta, de vriendin van Coen. Tijdens de walpurgisnacht bralt hij in een Amsterdams café met de kastelein en een andere literatuurfreak over het leven, dat door de literatuur overwoekerd wordt. Zijn door alcohol benevelde geest denkt dat hij zijn vrouw Elfje vermoord heeft. In het vierde en laatste deel komt Vernon weer terug. Hij legt het bij met zijn vroegere vrouw Meta, die door Beek is ingelijfd. Beek trekt zich terug met zijn dochter Manon. Ze rijden naar Italië en namen en passant liftster Veerle mee die eerder alles is kwijtgeraakt. 

Het geheel barst nogal uit zijn voegen door de vele verwijzingen naar literatuur en literatoren daarvan, al is het maar hun sterfdatum. In het bijzonder gaat het daarbij om Dante. La Divina Commedia wordt regelmatig aangehaald. De tocht, die vanuit het Inferno via de Louteringsberg naar het Paradijs voert vormt een leidraad voor het bestaan van de vroegere docent. De grote aandacht voor Italianen, die bij mij een associatie met Fellini opriep, heeft wellicht ook te maken met het feit dat Elfje, een Italiaanse, de poëzie uit haar geboorteland in het Nederlands vertaalt.

De uitweidingen voegen weinig toe aan de roman, al zijn ze op zich heel aardig, zoals over Jo Morre, een aangetrouwde oom, die op familiefeesten zijn boekje te buiten gaat. Basart hanteert verschillende stijlen en voegt zelfs een kluchtig toneelstukje in. Ik heb begrepen dat De verzoening niet veel anders van stijl is, dus wie genoten heeft van De laatste lach wordt op zijn wenken bediend en anderen weten waar ze met Basart aan toe zijn.  

Hier de laudatio van Wiener.


.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen