Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



zondag 9 augustus 2015

Tussen hemel en hel (2002), documentaire van Joost Seelen



Acht getuigenissen over het wrede leven in Kamp Vught

De ondertitel van Tussen hemel en hel luidt: Leven met Kamp Vught en behelst getuigenissen van acht personen die in dit enige officiële SS concentratiekamp in Nederland hebben gezeten, dat ik 1943 werd geopend en bedoeld was als doorgangskamp naar vernietigingskampen in het oosten. De ondertitel drukt uit dat het niet alleen om hun kampervaringen gaat, maar dat die hun latere leven verwoest hebben.

De acht personen die vertellen over hun ervaringen worden met toenmalige leeftijd, functie en reden van opsluiting aan ons voorgesteld:
Leo van der Tas (24), rechtenstudent en vanwege deelname aan het verzet geïnterneerd,
Johanna Wildschut (24), Jehova’s en vanwege haar geloof opgesloten,
Theo Stouten (23), ambtenaar die distributiebonnen verduisterde,
Lottie Veffer (21), diamantslijpster en in het kamp vanwege haar joodse achtergrond,
Harriet Flatow (21), thuiswerkster in dameskleding en ook joods,
Gerrit Gremmen (25), hulpambtenaar, opgesloten vanwege verduistering distributiebonnen,
Mieke Steensma (19), apothekersassistente in opleiding vanwege hulp aan joodse onderduikers en
Cor Koster (zie foto, 24), timmerman die werk weigerde voor de Duitsers.

Samen vertellen ze over het wrede leven in een rustige montage die afgewisseld wordt met beelden van het kamp. Dat begon met een mars vanuit station Vught. Van der Tas zegt dat de frisse lucht hem beviel na opsluiting in een benauwde cel, Veffer herinnert zich de bomen die onheilspellend op haar af kwamen. Gremmen vertelt over de knipbeurt. Wildschut zegt dat alles hen werd afgenomen en dat er slechts nog een nummer overbleef. Steensma herinnert zich de enorme appelplaats van de mannen, Flatow was bij aankomst in de barak vooral moe.

Elke ochtend stonden ze klaar om geteld te worden (Flatow). Dat appèl duurde als het niet klopte soms uren (Steensma). Gremmen kreeg vijfentwintig harde stokslagen omdat hij zich verscholen had in de barak en daar in slaap was gevallen. Veffer keek vooral naar de blauwe lucht. Stouten hield zich gewoon aan de regels. Koster zegt dat hij niet een man kon helpen die naast hem was neergevallen, al kookte hij van woede. 

Tijdens de ontluizing van de barak raakte Flatow alles kwijt. Wildschut vond het vernederend dat ze dat ze naakt op een plankje op luizen werd onderzocht. Ze zegt dat het een spelletje was van de bewakers, omdat luizen nooit werden aangetroffen. Volgens Van der Tas was Vught een klucht en deed iedereen daaraan mee. Veffer wist gelukkig niet hoe lang het zou duren anders had ze het niet volgehouden. Steensma pantserde zich tegen de vernedering. Koster vertelt van de slaag tijdens het werk met een kiepkarretje, waarbij hij opgezweept werd. Wildschut verrichtte zinloos werk als het aanvegen van het bos. Gremmen werd heel klein toen hij zag dat een man met diarree uit de rij sprong en meteen werd doodgeschoten. Flatow vertelt dat stadse Hollandse meisjes het vrouwenkamp bewaakten en met de Duitsers hoereerden. Veffer herinnert zich dat een baby die niet wilde ophouden met huilen tegen het prikkeldraad gedrukt werd en dat zij automatisch wegkeek. Koster had geen contact met andere gevangenen omdat iedereen toch maar klaagde en men zelf moest overleven. Steensma daarentegen beweert dat er levenslange vriendschappen gesloten werden.

Veffer herinnert zich de vreselijke transporten. Steensma vertelt over de onzekerheid die deze veroorzaakten. Flatow heeft haar moeder daarna nooit meer teruggezien. Gremmen zegt dat een vader of moeder mee mocht met het kindertransport. Veffer zegt dat er niets tegen te doen was.

Een aantal van de acht gevangenen werkte voor Philips. Flatow maakte radiobuizen die voor vliegtuigen bestemd waren. Steensma herinnert zich de bijvoeding, Philipsprak genoemd, die in de middag werd gebracht. Wildschut herinnert zich het gezamenlijke zingen, dat verbindend werkte.

Tot slot vertellen de gevangenen, voorzover die niet al eerder waren vrijgelaten zoals Stouten en Gremmen, over de transporten met veewagons naar het oosten en de aankomst in de vernietigingskampen. Veffer was verbaasd dat er water uit de douches kwam en geen gas. Van der Tas ontsnapte in april 1945 tijdens een dodenmars. Veffer, Koster, Steensma en Wildschut werden in datzelfde jaar bevrijd, Flatow werd overgedragen aan de Denen.    

Hier mijn bespreking van Dagboek geschreven in Vught (2006), door David Koker, over zijn leven in de afdeling voor Philipsjoden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen