Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



vrijdag 21 augustus 2015

Recensie: Het bottenpaleis (2000), Pam Emmerik



Vitaal en openhartig proza over twee meisjes die losgaan in de stad

De informatie die over Pam Emmerik loskwam na haar vroege dood maakte dat ik graag eens een roman van haar ter hand wilde nemen. Het bottenpaleis is haar debuutroman en voldoet in ruime mate aan de eisen die men daaraan kan stellen: het verhaal is boeiend, de stijl flitsend en het taalgebruik weergaloos.

In veertien korte hoofdstukken wordt de geschiedenis van Isabel en Frances uit de doeken gedaan. De eerste raakte haar ouders Jack en Laura bij een auto-ongeluk kwijt, de tweede had een moeder die in een inrichting kwam en een vader die de hort op ging, waardoor beide meisjes werden opgevoed door grootmoeder Hannah, maar al snel voor een eigen leven kiezen, respectievelijk in Amsterdam en Utrecht, met alle seksuele uitspattingen die daarbij horen.

Isabel weet wel hoe ze een man moet verleiden, zoals Felix bijvoorbeeld: ‘We gingen niet met elkaar naar bed, alle trucjes die ik anders zonder gêne in de strijd wierp om mijn horizontale doel te bereiken liet ik bij Felix achterwege: felrode lippenstift, met je hand door je haar woelen, aan één stuk door bemoedigend glimlachen, dieper ademhalen dan gewoonlijk, hoofd schuin houden, plotseling afwezig kijken, kleine terloopse aanrakingen, veel, veel onnozele vragen stellen, tieten-inkijkje natuurlijk, met je kont draaien als je naar de wc liep, ik deed het niet, kon het niet, verdomde het.’ 

De roman begint met de fascinatie van Isabel met de dood. Ze bezoekt stervenden om het mysterie van de dood te ontrafelen, maar komt daar natuurlijk niet achter. Ze steelt wel pillen om die zelf te kunnen gebruiken als haar tijd of die van een ander gekomen is.

Frances vertelt over de tijd dat ze in het grote landhuis woonden, dat eerder een hotel was en dat bij een erfenis aan hen toekwam. Hun vaders deden er goede zaken en leefden een luxe leven met vele vrienden die uit Amsterdam overkwamen. Frances zag Isabel als haar wederhelft.

Isabel vertelt op haar beurt over grootmoeder Hannah. Deze excentrieke vrouw kreeg periodiek een boekhandelaar over de vloer die haar nieuwe boeken bezorgde en een glas wijn niet afsloeg. Isabel maakte gebruik van de gelegenheid om gemalen pillen in hun glazen te doen en hen daarmee te doden.

Frances vertelt over haar moeder die in een inrichting zat en haar liefde voor Isabel, die ze in wil smeren met jam en dan aflikken, maar die niet wederkerig is.

En ik denk terug aan al die keren dat ik naast haar ontwaakte en de opwinding me te machtig werd, mijn ene hand op haar ontblote borst legde terwijl ik de vingers van de andere tussen mijn benen heen en weer bewoog tot ik klaarkwam, maar zonder vreugde, van de beelden die ik me van Isabel herinner is dit het hardnekkigst; haar argeloze gezicht, een klein spuugbelletje op haar onderlip,droomvuist gebald onder kin, het laken weggeschopt tot aan het voeteneind, mijn geslacht kloppend tussen mijn dijen,mijn vingers die geoefend spasmen opwekken, mijn andere hand liggend op haar borst, klaar om elk moment jam aan te kunnen wijzen, hier, of daar, veeg toch af, meisje! 


In Utrecht krijgt ze contact met Suzie die getraumatiseerd is en snel huilt: ‘Om haar te troosten zei ik dat haar ouders stomkoppen waren die nooit gezien hadden hoe geweldig hun dochter was. Suzies gezicht vertrok. Ze kreeg een driftbui. Het was negen uur precies. Een halfuur later zouden de tranen arriveren, daar kon je je horloge op gelijk zetten.’

De roman heeft een enorme stuwing door een overvloed aan anekdotes. Asielzoekers geven de roman nog meer kleur en opsommingen zijn nooit ver weg, zoals over mannensoorten: ‘Er waren andere mannen genoeg. Mannen in overvloed. Mannen zat. Mannen ontelbaarder dan zandkorrels, ontelbaarder dan regendruppels, ontelbaarder dan grassprieten, dan kippeneieren, dan straatstenen, dan hondendrollen op de stoep.’

Het bottenpaleis doet soms denken aan de gekte van Charlotte Mutsaers. Het is hysterisch en gezwollen, maar ook zeer vitaal en eerlijk en daarmee een genot om te lezen.   





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen