Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



zondag 21 juni 2015

Het Filosofisch Kwintet over de vrijheid van meningsuiting, Tolhuistuin, Amsterdam, 21 juni 2015



Publieke ruimte ondermijnd door onzichtbare belangen

In dit nieuwe seizoen van Het Filosofisch Kwintet gaat het over de duurzame mens, waarmee Clairy Polak een vijftal geselecteerde menselijke waarden bedoelt, waar de vrijheid met kop en schouders bovenuit steekt. Voor de eerste aflevering zijn drie filosofen uitgenodigd, te weten de Vlaming Johan Braeckman, Theo de Wit en Rutger Claassen, bekend van zijn boek Het huis van de vrijheid. Zoals gewoonlijk doet Ad Verbrugge in deze live uitzending vanuit de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord de afsluiting en anders dan gewoon begint Polak niet met een voorbeeld.

Braeckman spits de vrijheid meteen toe tot de vrijheid van meningsuiting omdat die het fundament is voor andere vrijheden, Claassen vraagt zich af waar de grenzen daarvan zich ophouden en De Wit stelt dat de vrijheid van meningsuiting van onderop moet komen. Verbrugge schetst heel kort dat de vrijheid van meningsuiting opkwam in de Verlichting en werd aangekaart tegen druk van de godsdienst en de staat, die haar als een bedreiging zagen.

Polak vraagt of we met een westerse waarde van doen hebben.
Volgens Claassen is het recht op meningsuiting in het westen ontstaan maar verspreidt die zich over de wereld. Hij benadrukt dat het daarbij ook om vrijheid van denken gaat. Die zit namelijk niet in het hoofd maar krijgt gestalte in een debat.
De Wit is net zo kritisch over het liberale idee van een eigen, vaststaande mening. De mening komt ook volgens hem tot stand in de openbaarheid. Als het goed is gaat men na een debat anders naar huis dan men gekomen is.
Braeckman vult aan dat er wel de bereidwilligheid moet zijn om naar elkaar te luisteren en om gekwetst te worden door de ander. Ook Claassen wil geen concessies doen aan de ontvanger.

Polak zegt dat we daarmee midden in de actualiteit zitten van Islamitische Staat en de rechtmatigheid van de publicaties van cartoons over moslims.
Braeckman merkt op dat veel Europese moslims de westerse scheiding tussen kerk en staat juist accepteren.
De Wit haalt Simone de Beauvoir aan die in een essay de vraag stelde of bepaalde literatuur zoals die van De Sade verbrand moesten worden. Zij vond dat men nimmer onwelgevallige meningen moest onderdrukken. De Wit noemt de Bijbel en de Koran ook literatuur.
Verbrugge stelt dat binnen de publieke ruimte speelruimte is om ons leven vorm te geven, maar dat daarin botsingen voorkomen die de vraag oproepen wie of wat onze ruimte bepaalt.
Claassen meent dat we nooit maximale vrijheid hebben, maar dat die ingeperkt wordt door de vrijheid van anderen.
Braeckman haalt John Stuart Mill aan die in On liberty de grootst mogelijke vrijheid voorstond binnen bepaalde, algemeen geaccepteerde grenzen. Zo is het not done om in een theaterzaal te roepen dat er brand is en zich niet verantwoordelijk te voelen voor de gevolgen. Braeckman vindt psychische schade geen argument om vrijheid in te perken. Het wijst juist op betutteling van de ander. Pas bij fysiek geweld treedt een grens op.
De Wit voegt een mondiale dimensie toe aan het bovenstaande. In een globaliserende wereld worden de uitingen van Charlie Hebdo, bedoeld voor de Franse cultuur, geëxporteerd naar andere culturen waar ze heftige reacties oproepen. De Wit wil met die gevoelens rekening houden.

Polak moet denken aan een gast die ze uitnodigde maar die niet wilde komen uit angst dat uitspraken verkeerd zouden worden opgevat. Ze vraagt hoe consequent wij zelf zijn met ons verbod om ontkenning van de Holocaust te verbieden.
Braeckman meent dat dit soort verboden als een boemerang op onszelf terug slaat. Hij bestrijdt andere meningen liever met intellectuele middelen, temeer omdat hiermee de vrijheid van de eigen mening het best gegarandeerd is.
De Wit stelt dat we in een tijd leven waarin de orde zelf, net als in de tijd van de kraakbeweging die zich niet wilde conformeren aan de liberale rechtsorde, ter discussie wordt gesteld, maar een zogenaamde Leitkultur past ons ook niet. Hij waardeert het dat in de Verenigde Staten de vlag verbrand mag worden.

Polak vraagt zich af wat er nodig is om de publieke ruimte in tact te houden.
Claassen denkt aan de moraal van gelijke vrijheid, Braeckman uitgaat van het inzicht dat men zich kan vergissen, na het aanhoren van de mening van een ander.
Claassen ziet de rechtsstaat niet als een cultureel verschijnsel maar als een ordeningsprincipe.
De Wit hoopt dat onze negentiende-eeuwse standpunten nog steeds rechtsgeldig zijn, maar is pessimistisch hierover, te meer omdat wij ons terugtrekken in plaats van onze grondrechten te verdedigen. Zelfs een sociaal democraat als Lodewijk Asscher meent dat nieuwkomers onze waarden moeten onderschrijven in plaats van alleen onze wetten.
Braeckman is minder pessimistisch en denkt dat de democratische landen, waarvan er steeds meer komen, taai genoeg zijn. Wel moeten we uitkijken voor de verleidingen van het dogmatisch denken.
Claassen ziet optimisme als een morele plicht, De Wit deelt het optimisme omdat hij kinderen heeft.
Verbrugge sluit af met de kloof tussen ideaal en werkelijkheid en benadrukt de democratische attitude om de vrijheid, die onder druk staat, levend te houden.

Ik zou zelf willen weten wie er invloed hebben op het publieke debat en in hoeverre dat zich in een vrije ruimte afspeelt. Het idee van een parlement dat de wil van het volk vertegenwoordigt is allang achterhaald. Achter hun rug worden beslissingen genomen die de toekomst van de burgers bepalen. Daarbij komt nog dat de publieke opinie, bijvoorbeeld in geval van het verbod op een vereniging van pedofielen, ook al de nodige ruimte opslurpt waardoor de nobele visie van Johan Braeckman over een intellectuele gedachtewisseling, hoe waardevol ook, al gauw het nakijken heeft.

  




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen