Pleidooi voor meer opmerkzaamheid van het andere in het
leven
In zijn roman Het
naderen van een brug (2016) probeert Roel Bentz van den Berg de kloof
tussen de materiële en de geestelijke wereld te verkleinen en wel door de dood
integraal te betrekken bij het leven. In zijn essaybundel Engelen in regenjas, dat zeven jaar eerder het licht zag, leverde
hij daarvoor de grondstof.
Het titelverhaal waarmee de bundel begint doet meteen denken
aan de engel die in de film Himmel über
Berlin van Wim Wenders over de stad Berlijn kijkt en het gekrioel van de
mensen onder hem waarneemt. Bruno Ganz die de rol van de engel speelt, is
gekleed in een oude regenjas en dat blijkt ook de ware uitdossing van een engel.
Zelf heeft Bentz van den Berg wel eens het voorrecht gehad om zo’n engel tegen
te komen. Hij vertelt dat hij eens op zestienjarige leeftijd de straat wilde
oversteken en door een hand werd tegen gehouden net voor een voorbij snellende
tramhalte hem kon grijpen. Hij kan de man nog gedetailleerd beschrijven:
Hij droeg een licht
versleten, te ruim vallend grijs colbert met daaronder een trui met een
gerafelde v-hals en een niet echt schoon te noemen overhemd met open boord.
Over zijn linkerarm had hij een verfomfaaide beige regenjas gevouwen.’
Zo’n engel kan volgen Bentz van den Berg slechts getuigen
van het leven en daarop verder geen invloed uitoefenen, al kan die soms wel
zorgen voor een wending ten goede. De ervaring dat hij geleid wordt heeft hem
nooit heeft verlaten, net zoals katholieken geloven dat hun bewaarengel hen tegen
ongelukken beschermt. Bentz van den Berg ziet het werkterrein van de engelen op
straat, waar als men goed kijkt de poëzie op straat ligt. Hij spreekt van de
vallei waarin deze en gene wereld tegen elkaar aan rollen, de momenten waarop
de werkelijkheid zichzelf overstijgt en onze ziel even vleugels krijgt. ‘Kleiner dan de punt van de naald, maar je
kunt er wel op dansen,’ zoals het motto van het boek naar Tom Robbins al
aangeeft.
De verdere essays zijn uitwerkingen van dit uitgangspunt en
worden geïllustreerd aan de hand van films als Caché, Gabrielle en 5x2, fotografen als Annie Leibovitz en Richard
Avedon, musici als Solomon Burke en Bob Dylan en natuurlijk het theater waarmee
zijn ouders hun brood verdienden. Hij verwijst eerder al naar jazzdrummer Max
Roach die vooral naar de stilte in het hart van de melodie luisterde en naar de
vermaarde violist Stern die een leerlinge een lied liet zingen om haar bewust
te maken van het gevoel dat ze op de viool diende over te brengen. ‘Kunst die echt iets voorstelt begint bij een
opdracht, al dan niet van hogerhand. (…) Voor hen zit er niets anders op dan te
blijven oefenen op de grote goocheltruc die daarachter zit: om steeds weer,
solo na solo, drummend, schilderend, schrijvend, konijnen uit de hoge hoed van
het niets te trekken – en net zolang te blijven bellen tot ze God zelf aan de
telefoon krijgen.’
De beschouwingen verwijzen naar een dichotoom wereldbeeld
dat is opgedeeld in denkende ikken en dode materie waardoor het verbindende
element, de ervaring van de elementaire verbondenheid, ontbreekt en waarin de term
ziel alleen gebruikt wordt in het rijk van de kunst de religie of de
behandelkamer van de psychiater. Onze object subject scheiding brengt ons niet
verder. ’De grap is dat we niet op
allerlei huwelijkse voorwaarden maar in gemeenschap van goederen getrouwd zijn
met de wereld, en dus met alles erop en eraan.’
Vandaar ook zijn pleidooi voor een gelijkstelling dier en
mens die gemeenschappelijke dierlijke grond hebben. ‘Naarmate we daar beter in worden, naarmate we een betere verstandhouding
krijgen met de dieren van onze verbeelding, worden we zelf ook meer dierlijker.
Niet beestachtiger, integendeel, maar straatslimmer, intuïtiever, opener,
alerter, spitser, scherper van neus en blik en gehoor.’
Aandacht schenkt hij aan het menselijk gezicht als uitdrukking
van de ziel en dus steeds verandert als werk dat in uitvoering is, zoals fotograaf
Avedon laat zien. Zijn moeder had zo’n scherpe blik dat ze geen goed actrice was
maar wel zichzelf kon inbeelding in haar personages en hem daardoor leerde hem
innerlijk en uiterlijk met elkaar verweven zijn. ‘Binnen is buiten en buiten is binnen De ziel is een klapdeur die altijd
tegelijk naar binnen en naar buiten toe opengaat.’
Tussendoor lezen we een nog paar mooie verhalen, onder
andere over oudere mevrouw die aanbelt bij een huis waar hij op past en hem
vertelt over ene Hilbert die haar leven tijdens een feestje in dat huis kapot
gemaakt had. Er is ook een verhaal over brieven gericht aan zijn jeugdliefde
Marianne, die hij na een verhuizing retour kreeg met de opmerking dat ze in een
klooster was gegaan hetgeen de tot beschouwing leidt over de verhouding tussen geest
en ziel, waarmee hij terugkeert naar zijn pleidooi voor meer ziel in het alledaagse
bestaan. Eerder in zijn boek waarschuwde Bentz van den Berg voor een
samenleving waar de robot alles straks voor het zeggen heeft, maar ik vrees dat
de mensheid inmiddels al zodanig door automatismen bedreigd wordt, dat een tegenwicht
in de vorm van een sterker zielenleven hard nodig is.
Hier
mijn bespreking van Het naderen van een
brug.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten