Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



dinsdag 15 juli 2014

Technologie, moraal en energie, Het filosofisch kwintet, 13 juli 2014



Fossiele brandstof is een gemakkelijk op te delven snoepje in de grond

Clairy Polak praat, bijgestaan door Ad Verbrugge, in deze vierde reguliere uitzending van Het filosofisch kwintet met ingenieur Klaas van Egmond, techniekfilosofe Sabine Roeser (zie foto) en onderzoekster Lucia van Geuns over de vraag of technologie een oplossing kan bieden voor ons energieprobleem. Ze begint zoals gewoonlijk met een vraag, namelijk over groene stroom, of het zinvol is die af te nemen.

Van Egmond is sceptisch, vindt het een aflaatachtig gebeuren, temeer omdat duurzame energie slechts vier procent van de totale productie uitmaakt. Volgens Van Geuns gaat het om gewone stroom, maar gekocht uit een groene bron (als het goed is). Roeser is een voorstander en vindt dat het loont in groene stroom te investeren. Des te meer mensen dat doen, des te meer duurzame energie. Verbrugge houdt een nogal ingewikkeld en abstract betoog over het labelen van stroom dat een kwantificeerbare verhouding en daarmee een waardering uitdrukt.

Polak gaat verder over CO2 neutraal vliegen. Ze trekt nogal haar neus op voor bomen die men plant met het extra geld dat vliegtuigpassagiers hiervoor betalen. Van Geuns denkt dat men daarmee het schuldgevoel afkoopt en dat het zelfs contraproductief kan werken als het een alibi vormt om nog meer te vliegen. Van Egmond denkt niet dat daarmee het klimaatprobleem wordt opgelost. Roeser vergelijkt het met de verhandeling van emissierechten, die niet leiden tot grenzen aan de groei. Zij bepleit een gedragsverandering. Van Geuns zegt dat dit weinig zoden aan de dijk zet als China en andere opkomende economieën nog steeds goedkope kolen als brandstof gebruiken. Ze wijst erop dat het energiebeleid onderwerp is van een politiek-economisch debat.

Polak vraagt of dit laatste positief of negatief is. Van Egmond vindt het positief, omdat het energiebeleid sturing behoeft na de privatisering en liberalisering in de jaren negentig. Hij is gecharmeerd van initiatieven van transitional towns die het energiegebruik in hun stad milieuneutraal willen maken. Ook Roeser wil dat het Westen het energiegebruik radicaal beperkt.

Polak wil naar de kern van het onderwerp, namelijk de vraag of het probleem met technologie op te lossen is. Volgens Van Egmond wordt de rol van de technologie overschat. Zonder gedragsverandering is halvering van het energiegebruik in 2050 onmogelijk. Hij vindt dat de politiek financiële prikkels in die richting moet geven. Van Geuns meent dat met technologie de twee graden opwarming oplosbaar is, maar dat dit politiek niet haalbaar is. Men verschilt van mening over de rol van de Verenigde Staten in dit debat. Enerzijds is daar de ecotax onbespreekbaar, anderzijds zet men wel stappen om de CO2 uitstoot te verminderen. Van Egmond vindt dat Europa als grootste economie een CO2 heffing moet invoeren.

Polak herformuleert de vraag: hoe kan de technologie ons helpen als we van goede wil zijn de milieudoelen te bereiken. Volgens van Egmond ontstaat rond 2030 een kantelpunt wat betreft het lucratief worden van duurzame energie in vergelijking met fossiele brandstoffen. Van Geuns vreest dat het systeem geen duurzame energie aankan. Roeser betreurt het dat de aangedragen oplossingen zoals windmolens op zee op weerstand stuiten. Van Egmond ziet niets in schaliegas omdat het slechts een paar jaar respijt geeft en geen wezenlijk oplossing biedt.

Polak gaat verder over de verhouding tussen ons bewustzijn van de problemen en de geringe bereidheid om in actie te komen. Roeser verklaart de discrepantie tussen ons cognitieve bewustzijn en het gebrek aan urgentie om er iets aan te doen op met de term cognitieve dissonantie. Verbrugge denkt dat het besef ontbreekt als men het gevaar niet aan de lijve heeft meegemaakt en dat we daarom de fossiele brandstoffen als snoepjes uit de grond blijven halen. Men komt uit op een democratisch probleem. Van Egmond zou een nationaal kabinet willen dat een duurzaam beleid uitstippelt, dat niet door de media de grond in geboord kan worden. Van Geuns vindt het naïef om een Nederlandse oplossing te bedenken voor een mondiaal probleem. Roeser wijst op afspraken binnen het International Institute for Environment and Development dat veel aandacht heeft voor klimaatverandering.  

Polak vraagt nogal uitgeblust of het wel zin heeft om zelf actie te ondernemen.
Van Egmond wijst erop dat zijn plan voor een nationaal kabinet daarin past, net als het idee van transitional towns. Roeser vindt het belangrijk dat aangesloten wordt bij het schuldgevoel, want een politiek draagvlak zal niet snel ontstaan. Verbrugge spreekt van een foute Titaanse macht, die door de Verlichting mogelijk werd gemaakt en wil terug naar inbedding in de natuur en rentmeesterschap. Van Geuns is pessimistischer, maar vindt dat Europa wel een voorbeeldfunctie heeft.

Tenslotte vraagt Polak of ons de tijd nog wel gegund is.  
Van Egmond vindt dat er snel besloten moet worden over de twee graden problematiek, dat men eindelijk eens volwassen moet worden en dat Europa zich moet afvragen wat een goed leven is. Roeser vindt dat we ons niet moeten doodstaren op een technologische fix, maar moeten nadenken over een maatschappij die niet alleen op groei is gericht. Van Geuns denkt dat dit een elitaire discussie is in een wereld die door politieke en economische belangen bepaald wordt, waarop Verbrugge een uitspraak van Dmitri uit De gebroeders Karamazov van Dostojevski aanhaalt dat de mens hem te groot is. 

Steeds weer stuit men lijkt het wel op de grens van de economische macht, die ons allen in een wurggreep houdt, waaruit we ons niet kunnen en soms zelfs niet willen bevrijden. Het negativisme van Clairy Polak staat symbool voor de moedeloosheid die daar het gevolg van is.  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen