Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



zaterdag 4 april 2015

Theaterrecensie: Mijn vader was poppenspeler, Servaes Nelissen, Toneelschuur, 3 april 2015



Zoon eert vader met suggestieve beelden en oogstrelende techniek

In Mijn vader was poppenspeler vertelt Servaes Nelissen het verhaal van zijn vader Jan (1918-1987). Hij doet dit voor en achter de kast. Hoewel er nogal wat venijn in de relatie met zijn vader zat, die graag een borrel dronk, veel rookte en nogal ouderwetse ideeën had over het poppenspel, is de voorstelling vooral een hommage.

Hoewel Nelissen geen cabaretier is, weet hij zich aardig te redden op het toneel. Hij heeft een aardige gimmick over een zogenaamde knecht die zijn werk maar niet doet, waarop hij zelf aan de slag moet om de changementen te verzorgen en hij vertelt met de nodige zelfrelativering. ‘Wordt dit niet teveel een spreekbeurt?’ vraagt hij, terwijl hij zich omdraait naar de zaal. Het is grappig zoals hij moeiteloos overschakelt van levende persoon tot pop in de poppenkast. Hij legt uit dat hij als negenjarige zijn vader hielp met het aangeven van de poppen en dat hij een trap tegen zijn schenen kon krijgen als hij dat niet goed deed.

Hij vindt het niet gemakkelijk om een voorstelling over zijn vader te maken. Hoewel de man al 27 jaar dood is, kijkt hij nog steeds over zijn schouders mee. Hij zit zelfs in het publiek. Daar heeft hij kritiek op het feit dat zijn zoon over poppenkast spreekt en niet over poppentheater. Het is toch al het stiefkindje van het Nederlandse toneel. Iedereen denkt tegenwoordig dat hij het ambacht kan uitoefenen. Zijn vader schaamde zich voor zijn ondergewaardeerde beroep. Zijn zoon ging daarom studeren aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Dat hem dat niet goed afging blijkt uit een scène in de kast waarin hij wanhopig bezig is met een zelfportret en zichzelf maar een kutkunstenaar vindt. Tenslotte stapte hij in de schoenen van zijn vader.

Servaes vertelt in de kast over zijn vader die als kind stotterde maar daarmee ophield toen hij poppen kreeg, in een werkkamp in Duitsland speelde, na de oorlog als etaleur bij V&D werkte en geintjes uithaalde met de etalagepoppen. Als poppenspeler in Maastricht beschimpte hij de clerus, samen met Leen kreeg hij een groot gezin, in een Citroën HY toerde hij door het land, hij ging altijd vroeg naar bed en was wars van de televisiegeluiden die hem deden denken aan de oorlog. Op een avond dat er voetbal was, werd hij zo boos dat hij het apparaat tot verdriet van zijn zes zoons het raam uitgooide. Vandaar dat Nelissen diens pop maar klein heeft gemaakt. Dan kan hij zijn vader in ieder geval de baas.

De rode lijn gaat over de oude poppen van zijn vader. Ooit ging Servaes met zijn moeder naar het Nederlands Theater Instituut aan de Herengracht in Amsterdam, inmiddels opgeheven door Halbe Zijlstra, om de poppen van zijn vader te bekijken. Helaas waren ze niet uitgestald, maar lagen ze in een kast op zolder. Daar ging een wereld voor zijn moeder open, die met het naaien van de kleertjes haar steentje bijdroeg aan de voorstellingen. Met zijn poppenvader gaat Servaes naar een depot in Amsterdam Zuid Oost waar de poppen later lagen opgeslagen. Er volgt een slapstickachtige scène met agent Flipse die ziet dat de deur van het depot openstaat. De toon is gericht op kinderen en ouderwets grappig. Aan het eind legt hij de poppen in het familiegraf, waar ze beter tot hun recht komen.

Tenslotte toont Servaes een oud filmpje waarop zijn vader door het land toert, vanuit de achterkant van zijn Citroën op het schoolplein speelt (zie affiche) en daarna wat eenzaam in de wagen een boterham eet. De sappelende man vat het voorgaande op een boeiende manier samen. Net als zijn vader werkt Servaes met de kracht van de suggestie, een perfecte timing en is zijn techniek oogstrelend. Op de begraafplaats gekomen dumpt hij de poppen in het familiegraf, wordt daarbij bijna door de dood verrast, maar weet die te pareren en veegt na de volbrachte taak nog even het zand van de grafsteen. 

Vier sterren geef ik voor de suggestieve beelden en de fraaie techniek. Hoewel Servaes tijdens de voorstelling duidelijk maakte dat hij dat niet genoeg vond, was de inhoud me af en toe net te sentimenteel. Wellicht krijgt hij de vijfde ster erbij als ik een écht verhaal van hem gezien heb.

Hier meer op de site van de Toneelschuur, waaronder de trailer. Vanavond is daar de première. Die is uitverkocht. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen