Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



zaterdag 7 december 2013

Recensie: Wij en ik (2013), Saskia de Coster



De toestand van de mensheid, bezien vanuit een gezin in een villawijk

Eigenlijk zouden er alleen romans mogen verschijnen zoals in de traditie van de Great American Novel, waarin de tijdgeest wordt verbeeld aan de hand van een groot familieverhaal. Saskia de Coster onderneemt een poging tot een Vlaams equivalent, zoals blijkt uit volgend fragment, waarin de maatschappelijke context nadrukkelijk aan de orde komt:

‘Zijn ziekte was de ziekte van de tijd: hij had zich vertild aan egoïsme, had een breuk van naar zijn eigen navel te staren, stierf van jaloezie op de sterkeren, leed onder een totale en redeloze angst, was altijd op de vlucht. De hele maatschappij kraakte en kreunde in de wachtzaal van het grote wereldhospitaal, iedereen was kapot gewerkt en betutteld in Villa Europa, geprikkeld én afgestompt, doodziek én hypochondrisch. Als je lang genoeg lag te verpieteren in de wachtzaal, werden je problemen chronisch en kreeg je doorligwonden.’

Deze gedachten betreffen Stefaan, de man van Mieke en de vader van Sarah, de drie hoofdrolspelers in deze vuistdikke roman. Het gezin woont in een villawijk op een berg te midden van anderen, maar meer nog alleen. Ze zoeken rust maar vinden doen ze die niet, al onthoudt het gezin zich van meedoen met buurtroddels. Stefaan heeft het te druk als met geld te verdienen in de farmaceutische industrie, zijn vrouw Mieke zorgt nogal neurotisch dat het huis en vooral de tapijten er netjes uitzien en dochter Sarah zit gewoon op school. Stefaan heeft het niet gemakkelijk met zijn familieachtergrond waarin de dood rondwaart. Hij is daardoor nogal afwezig in het gezin. Eigenlijk zijn alle gezinsleden vreemden van elkaar. Gemeenschappelijkheid is een kwaliteit die haaks staat op het toch armzalige individuele leven van de rijken. Dochter Sarah verbeeldt dit als puber door vergetelheid te zoeken met andere vriendinnen in het bekende seks, drugs and rock and roll.

Wij en ik beslaat een tijdvak vanaf 1980, het jaar waarin Sarah geboren wordt. Aan de hand van de drie hoofdpersonen loopt het verhaal als een ketting door tot 1998 wanneer Stefaan verongelukt. Daarna volgen we voornamelijk Sarah, die afscheid heeft genomen van haar oude milieu en zich als studente vestigt in New York City.

Bijzonder is, naast de bijzondere Vlaamse uitdrukkingen, de constructie met wij waarmee het boek ook begint. Door de ogen van een collectief bezien wij het leven op de berg en wel speciaal dat op Nachtegaallaan 7, het adres waar ons gezin woont:
’Wij zien de villa aan de overkant van de laan, Nachtegaallaan 7. Er is geen geval naast te kijken. De villa is een reusachtig, rustiek bouwwerk in donkerrode baksteen met geglazuurde blauwzwarte pannen op het stormbestendige dak en een enorme schouw.’
Deze wij doemt regelmatig op in het verhaal. De eerste persoon meervoud intrigeert, het is alsof we over de schouder meekijken. We nemen daarbij onze morele oordelen met ons mee en bevragen de bergbewoners over hun moraal.

De observaties van De Coster zijn scherp. Stefaan gaat maar niet naar een psychiater, want dan worden zijn problemen alleen maar groter. ‘Verdringing is de rots waarop de katholieke kerk gebouwd is.’ Sarah heeft het gevoel dat ze na haar geboorte net naast haar plaats terechtgekomen is. Mieke moet na de dood van Stefaan permanent getroost en gerustgesteld.

Af en toe dreigt het verhaal wat in te zakken, in fragmenten waarin spanning wordt opgeroepen maar niet wordt ingelost, bijvoorbeeld als Sarah het dak op gaat of als Mieke de werkruimte van Stefaan gaat schoonmaken, maar niet in zijn papieren wil snuffelen, maar daar staan hele mooie fragmenten tegenover, zoals bijvoorbeeld de verhouding van Stefaan tot een mindere op zijn werk die hem bedriegt of Sarah die met haar band in een kasteel oefent waar het er decadent aan toe gaat. Ook de stijl van de Coster biedt ruimte voor verrassing, bijvoorbeeld als Mieke opeens begint te oeioeien. ’Oeioei, haar leven is getoonzet op het ritme van oeioei.’

Aan het eind wordt duidelijk dat het niet alleen de lezers zijn, maar de hele mensheid die voortgaat, een voortgaande ontwikkeling, waarin men nu eens de ene kant op gaat en daarna weer een andere kant op. ‘Wij wandelen verder. Wij zijn altijd onderweg. Het is ontelbare jaren geleden begonnen, we doen er alles aan om door te gaan.’
Het is een hoopgevende frase. Ondanks de blik waarmee de individuele pijn wordt helder gemaakt, is er een collectief besef, dat ons doet voortgaan over een moeizame, maar noodzakelijk te volgen weg. 
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen