Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



donderdag 12 juni 2014

14 – 18, Dagboeken uit de Eerste Wereldoorlog, achtdelige documentaireserie van Jan Peter






Langs de zijlijn van de massaslachting

De fascinerende internationale coproductie 14 – 18, Dagboeken uit de Eerste Wereldoorlog is gebaseerd op waargebeurde verhalen, die ontleend zijn aan originele brieven en dagboeken van de, in deze achtdelige serie, voorkomende personages. Er worden door de Duitse regisseur Jan Peter steeds enkele personen uitgelicht, die hun verscheurde gezicht delen met de acteurs en actrices, maar daarnaast horen we ook fragmenten van vele andere direct betrokkenen. Godfried van Run geeft daarnaast een algemene overzicht van de oorlogsontwikkeling. Ik beperk me tot de dertien persoonlijke verhalen.

De 14 jarige Marina Yurlova, dochter van een kozak, zoekt haar vader in een zonnebloemenveld, terwijl de luidende kerkklokken om hulp lijken te smeken. Haar vader gaat na een oproep van de tsaar met de trein naar het front om tegen de Turken te vechten. Marina holt achter de trein aan, maar die stopt niet. Ze houdt een andere trein aan, maar die zal niet zo snel bij het front zijn, zegt de treinbestuurder. De reis van Marina Yurlova eindigt op een station. Ze ontmoet daar Kosel, ook een kozak. Hij draagt haar op voor de paarden te zorgen. Ze krijgt van hem ook een sabel maar die blijkt van blik. Ze is nijdig en krijgt later een echte, die van een overleden strijder geweest is en die klinkt als een engelenkoor.
Ze zit in bad in een dorpsbarak en haar haren worden kortgeknipt vanwege de luizen. Daarna komt ze in dienst. Na enig nadenken wordt ze uitgekozen om samen met anderen een Turkse brug op te blazen. Kosel wordt daarbij gedood, zijzelf wordt zwaargewond afgevoerd op een kar naar Bakoe. Ze ziet dat haar been zwart en erg gezwollen is en vreest amputatie. Omdat ze tegenspartelt krijgt ze een kapje met narcose. Als ze ontwaakt blijkt haar been niet afgezet. De dokter heeft alleen de kogel verwijderd. Marina vraagt hem wanneer ze terug naar het front mag, maar kreeg daarop van de ontstelde arts geen antwoord.
Marina is bij een ritmeester die haar een onderscheiding geeft omdat ze als enige van haar peloton de slag overleefd heeft. Ze vraagt hem wanneer ze naar de compagnie mag. Hij stelt voor dat ze eerst een bad neemt in zijn huis. Marina geniet ervan en vindt een condoom die ze opblaast. Ze ziet een zoute haring op de vleugel en krijgt toestemming om die op te eten. Ze realiseert zich dan opeens weer dat ze soldaat is en slaat alle parfums van de toilettafel.
Marina observeert haar collega’s aan het front, die zich staande houden door het drinken van wodka. Ze schrijft gedicteerde brieven aan hun familieleden, hetgeen wat vreemd is omdat ze zelf geen familie meer heeft. Een commandant legt voorafgaande aan een offensief in Anatolië zijn manschappen de werking van het gasmasker uit. Marina zegt hem onder vier ogen dat er veel te weinig van zijn, maar daar kan de commandant ook niets aan doen. Later bevindt ze zich in een spookachtige wereld vol mist van het gas. Ze wordt half begraven wakker, rukt haar masker af en roept om hulp. Ze hoort het gehuil van wolven, is slaperig, voelt zich in de voorbode van de hemel, maar wordt gevonden door twee soldaten met zaklampen.
Marina brengt een telegram aan de kapitein waarin staat dat de tsaar afgetreden is. Ondanks de rellen in februari 1917 in Rusland gaat de oorlog gewoon door. De kapitein geeft Marina een brief mee voor de sergeant om zich klaar te maken voor de aanval. Marina wil het liefst op haar paard de bergen invluchten omdat ze de toekomst vreest. Ze krijgt het voor elkaar dat de kapitein geen bevel tot aanval aan de sergeant geeft. Marina leest een pamflet waarin proletariërs aller landen wordt opgeroepen zich te verenigen. Marina is juist achtergelaten.
In oktober wordt de oorlog beëindigd. De sergeant velt de kapitein met een degen in zijn buik, boos dat ze zo lang door hem aan het lijntje zijn gehouden. Marina schrijft over een koelbloedige moord. Trotski voert in maart 1918 vredesoorlog met Duitsland dat slecht uitpakt voor de Russen. Ze raken veel grondgebied kwijt, waaronder de Krim.
Marina zit in de gevangenis, want het Rode Leger is tegen de kozakken. Ze ziet de geest van Kösel die haar zegt dat de dood niet erg is. Ze vreest de naderende kanonnen. Verder weg vechten de Roden tegen de Witten. Een officier van het Rode Leger neemt haar mee.  

Peter, de zoon van de Duitse sociaaldemocratische kunstenares Käthe Kollwitz wil ten strijde trekken. Haar man Karl, een arts, ziet daar niets in maar Käthe weet dat ze haar zoon niet kan tegenhouden. Ze komt toch in gewetensconflict als Peter na een eerdere afwijzing een telefoontje krijgt dat er toch nog ergens plaats voor een vrijwilliger. Moet zij hem daarover inlichten of niet, zoals Karl wil? Ze waardeert de eenheid in haar volk dat Oostenrijk tegemoet komt en denkt dat dit wel eens een nieuw begin kan zijn, maar heeft ook het gevoel dat het voor haar zoon slecht zal aflopen. Na de val van Antwerpen hangt Käthe de vlag uit, maar na de slag om de Marne krijgt ze zoals veel families, een rouwbrief, waarin haar vermoeden bevestigd wordt.
Käthe heeft de dood van haar zoon in Vlaanderen nog niet verwerkt. Ze pakt de houtskool portretten die ze van hem gemaakt heeft erbij. Als teken van herdenking boetseert ze een beeld van haar zoon, maar het werk kost veel kracht. Het is inmiddels een jaar geleden dat ze zijn laatste brief ontvangen heeft. Ze wil zelf ook sterven als het beeld af is, maar krijgt het beeld zelfs niet af.

De 26 jarige Karl Kasser uit Kiel is voor zijn werk afgekeurd vanwege een kapotte duim, maar dat let hem niet in het leger te gaan. Hij kan altijd met zijn andere hand granaten werpen, zegt een officier, die hem naar een Pools regiment stuurt in een uitrusting vol gaten maar met goede schoenen, waarop hij na een eedaflegging van een halve dag vanwege vijf talen wegmarcheert.
Karl beweegt zich voort in een moeras en komt daar met moeite uit met hulp van een collega. Hij doet mee met het graven van de loopgraven. Het eten is koud en van slechte kwaliteit. De ander blaast zichzelf, bij gebrek aan een fatsoenlijke instructie, op tijdens het werpen van granaten en Kasser komt in een hospitaal terecht. Het carnaval van de hel raast door de wereld, schrijft hij.
Karl dicteert aan Natasha een verpleegster in het ziekenhuis voor krijgsgevangenen, een brief naar huis waarin hij zijn heimwee naar de Heimat niet onder stoelen of banken steekt. Opeens moet hij meekomen. Hij wordt als zovele anderen overal in de wereld, op transport gesteld, niet naar huis, zoals hij denkt maar om als dwangarbeider aan het werk gezet te worden. In de trein ontmoet hij zijn dorpsgenoot Sebb. De mannen hebben elkaar veel te vertellen. Sebb heeft water nodig en Kasser vraagt erom maar krijgt brood. In de trein breekt tyfus uit. Ook Sebb bezwijkt. Kasser roept, als de trein in Siberië stopt, waar ze zijn. Wo sind wir hier?  

Yves Congar uit Sedan speelt de oorlog na op de kamertafel. Zijn vader herinnert zich de oorlog tegen Duitsland in 1870, waarna men Elzas Lotharingen moest afstaan. Toen waren er nog geen vliegtuigen en ging men per paard. Inmiddels draait de wapenindustrie in Duitsland en Groot Brittannië op volle toeren. Slagschepen en bommenwerpers zijn nieuw. Tijdens een bombardement wordt Yves bijna van zijn stoel geveegd. Hij kruipt snel onder tafel en schrijft daar in zijn dagboek. Een Duitse kapitein die na de machtsovername bij hen is ingekwartierd vraagt hem wat hij doet. Yves zegt dat hij zijn geschiedenisles leert over de inval van de Hunnen.
Yves helpt voedsel te verstoppen dat door de Duitsers wordt gevorderd. Deze voeren ook belastingen en heffingen in. Ze willen geld van vader Congar en zetten hem op de lijst met gijzelaars om te zorgen dat het geld er ook komt. Onderduiken wil de man niet. Het afscheid van zijn vader, die hem zijn lorgnet geeft, valt Yves zwaar.
Yves verbijt dat hun huis wordt geconfisceerd. Er wordt ook veel geplunderd. Een Duitse majoor wil dat hij gehoorzamer is en zet hem in de hoek. Daarna wil hij dat de dertienjarige meedrinkt op de overwinning en de intocht in Parijs. Door een tegenaanval van de geallieerden komt het niet zover. De Amerikanen gebruiken daarbij ook gifgas. Op verzoek brengt Yves de Duitse majoor een glas water. Op dat moment beginnen de beschietingen van de slag bij Amiens. De moeder van Yves roept hem naar de kelder. Hij verveelt zich en gaat toch maar eens een kijkje boven de grond nemen. Dan hoort hij kerkklokken. Het is 11 november. De wapens zwijgen. Von Hindenburg heeft opgegeven, de keizer is gevlucht naar Nederland.  

De Oost-Duitse Elfriede Kuhr uit Schneidemühl praat met een vriendinnetje over de komst van de Russen. Ze begint een oorlogsdagboek. Op school is Frans inmiddels verboden.
Zij krijgen een dag vrij na de Duitse overwinning in Sedan.
Elfriede is dertien als ze met haar oma meegaat naar een treinwagon die men in hun woonplaats heeft ingericht om de aangevoerde gewonden te helpen. Elfriede wil heel graag naar het front. Ze verbindt het been van haar oma om te oefenen, maar die vindt haar romantische gedachte ongepast. Als Elfriede uit de treinen een onmenselijk gebrul hoort, is ze meteen genezen. Ze loopt rond met een koffiepot en wil een zwaargewonde soldaat bedienen maar wordt weggestuurd omdat er geen hoop meer voor hem is. Ze hoort dat doktoren machteloos staan tegenover soldaten met smeltende longen vanwege het gifgas, dat angst moet aanjagen bij de vijand.
Elfriede speelt met haar vriendin oorlogje waarbij ze een piloot is. In haar woonplaats is een vliegtuigfabriek. Vliegeniers zijn de idolen van de oorlog. Ze komt Werner tegen die wel iets in haar ziet en haar uitnodigt in het café. Elfriede is nogal dubbel over een seksuele relatie. Ze is heel verdrietig als ze van haar vriendin hoort dat Werner is neergestort tijdens een proefvlucht en omgekomen. Ze legt een roos op zijn graf.  
Elfriede doet mee aan een inzameling op school van metaal voor het maken van kogels en granaten. Later wordt het verplicht metaal in te leveren en worden ook kerkklokken omgesmolten. Ze haalt ook voedsel uit de keuken van haar oma voor de baby's in het ziekenhuis. De lessen vallen vaak uit. De schoolkinderen, soldaten van het thuisfront genoemd, helpen een handje mee. In het ziekenhuis wordt juist Gerardje door zijn moeder binnengebracht. Hoewel er eigenlijk geen plaats meer is, wordt hij door de inzet van Elfriede toch opgenomen. Ze gaat zelf nachtdienst doen, krijgt de nodige melkflessen met de namen op een kar en mag het uitzoeken. Ze kijkt met verontrusting naar de mummieachtige lichaampjes. Als Gerardje tijdens het drinken verkrampt, belt ze de verpleegster. Die komt samen met de moeder, die overstuur is dat Gerardje dood is. Elfriede wil ook dood en draait thuis de gaskraan open. Ze ontwaakt in bed met haar oma naast zich. Die vraagt haar niets en zij zegt ook niets.
Elfriede is boos als haar leraar over de nederlaag spreekt. Haar grootmoeder huilt en heeft koorts. Ze zoekt Werners graf en kan dat eerst niet vinden, maar een geblakerde roos geeft aan waar hij begraven ligt.

De Brit Charles Montague is 48 jaar oud als hij zich aanmeldt als vrijwilliger. Hij verzwijgt zijn leeftijd omdat 41 jaar het maximum is, maar wordt door de dienstarts toch toegelaten. Hij komt in de loopgraven, die van de Noordzee tot aan Zwitserland lopen en waarin het vreselijk stinkt. Vele soldaten sterven door de ratten, het vocht en de luizen. Hijzelf krijgt loopgraafkoorts en wordt naar een hospitaal gebracht.
Sergeant Montague vreest dat hij buitenspel wordt gezet vanwege zijn leeftijd, maar krijgt dan de opdracht om een parlementslid rond te leiden. Na een kop thee is die er klaar voor. Hij wil echt dicht bij de gevechten zijn en Montague bedient hem op zijn woord. Een periscoop is niet nodig. Hij helpt de man de trap op uit de loopgraaf. Montague ziet het begin van de slag om de Somme en zou willen sneuvelen maar wordt teruggeroepen door het parlementslid. Later krijgt hij een standje, terwijl het parlementslid van zijn whisky nipt. Nog later hoort hij dat er veel landgenoten gesneuveld zijn. Zijn commandant wil dat hij er een positief krantenbericht van maakt. Lijsten met gesneuvelden worden niet gepubliceerd. Nabestaanden krijgen een handdruk. Montague voelt zich schuldig dat hij nog leeft.
Montague kleedt zich aan voor vertrek uit een kasteel in Noord Frankrijk, dat in de gevechtszone ligt. Veel Engelsen zijn gevangen genomen. De anderen trekken zich in afwachting van de Amerikanen terug. Hij vindt de toestand opwindend. Hij laat gevangen genomen Duitse soldaten fotograferen en vindt dat de tegenstander moet bloeden.  

De zesendertige Franse kuiper Louis Barthas heeft twee zonen en is pacifist, maar plichtsgevoel brengt hem als reservist in de provisorische loopgraven. Hij ontmoet daar bekenden die daar al langer zitten. Hij loopt rond tussen de lijken in de loopgraaf des doods na een aanval van de Duitsers. Hij verwacht steeds een aanval, maar ook reumatiek, heeft heimwee naar de cultuur en de oude instituties. Voor straf wordt hij alleen op verkenning gestuurd in het desolate niemandsland met bomkraters en prikkeldraad. Op het moment van de aanval krijgt hij een slok sterke drank toegediend. Na een weesgegroet klimt hij de trap op. Mitrailleurs geven de soldaten weinig kans. Elke aanval is een zelfmoordactie. Als korporaal loopt hij langs stervenden die zwart geblakerd zijn door vlammenwerpers.
Hij neemt het op voor de 17 jarige vrijwillige soldaat Maldec, maar kan niet verhinderen dat de krijgsraad hem voor het vuurpeloton zet. De oorlogsmoeheid neemt niet af door dit soort straffen. De Franse troepen zijn aan het eind van hun krachten. Generaals worden vervangen. Men wacht niet op bijstand van de Amerikanen, maar zet nog een offensief in, zeer tegen de zin van Barthas en zijn manschappen. De aanval loopt dan ook uit op een ramp. Barthas praat met de kapitein en stuurt hem met het verzoek om meer verlof naar zijn meerderen. Door rebellie dreigt het Franse leger uiteen te vallen. Vonnissen worden niet meer uitgevoerd, offensieven uitgesteld. Bondgenoten nemen plaats in de loopgraven. Duitsland concentreert zich na het vredesverslag met Rusland op het westelijke front en begint operatie Michael.

De welgestelde Britse Sarah MacNaughtan uit1864 heeft zich al eerder op de liefdadigheid gestort, onder andere tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika en reist als leidster van een stel verpleegsters met de trein naar het front in België (zie foto). Ze maken grapjes bijvoorbeeld over een patriottische glimlach die ze zullen tonen tijdens hun werk. De dokter ter plaatse ontkent eerst dat er gewonden zijn en verbiedt de vrouwen later meer te doen dan thee schenken en verbanden uit te wassen. Vanwege de vele gewonden wordt er een zogenaamde triage ingesteld, een selectie, waarbij de zwaarste gevallen aan hun lot worden overgelaten. Sarah schrikt van het snerpende geluid van de granaten en dient de gewonden Schotse whisky toe die heilzaam werkt tegen het gifgas. In het najaar van 1915 zijn er overal nieuwe offensieven. Sarah zit in een kolenkelder te midden van neervallende Duitse granaten en vreest het einde, maar blijft grappen maken, hopend op het einde.  
Sarah is verkouden. Ze reist samen met andere verpleegsters per trein via Moskou naar het front in Turkije en begrijpt niet dat de christelijke Armeniërs in de steek gelaten worden. Ook in Rusland zijn ze niet welkom. In Tblisi ofwel Tiflis komt ze in een leeg ziekenhuis. Ze begint schoon te maken maar hoest nog steeds. Ze zou naar het front willen maar niemand wil daar naar toe. Ze kan het niet aanzien dat men feestjes organiseert op kosten van de Britse belastingbetaler. Als de legerauto’s er zijn, worden die ingezet om mensen naar het theater te vervoeren. Ze gaat alleen verder en treft een hele groep Armeense vrouwen en kinderen in een schuur. Hun mannen zijn vermoord tijdens de genocide met hulp van de Turkse bevolking. Ze vraagt zich weer af waarom niemand die mensen bijstaat. Ze voelt zichzelf dood. Had het leven liever eerder verlaten.  

De Australische pianolerares Ethel Cooper probeert in Leipzig de eindjes bij elkaar te knopen. Ze ruilt haar klok tegen steenkool en merkt dat haar huisbazin voedsel uit Polen doorverkoopt tegen woekerwinsten. Er heerst een anti Engelse stemming in de stad. Alle niet Duitse muziek is verboden. Door de zeeblokkade van de Engelsen is het handelsverkeer in Duitsland gedaald en de bevolking verbitterd. Ethel hoest. Epidemieën komen veel voor. De huisbazin zegt dat ze misschien weg kan met een attest van de dokter. Die komt langs en wil haar eerst geen medische verklaring geven, maar als hij de vleugel kan krijgen, verandert hij van mening. Hij acht een kuur in Zwitserland voor haar nodig. Als Ethel hoort dat ze bij de politie moet komen, neemt ze aan dat het om haar uitreisvergunning gaat. Ze trakteert de huisbazin op taart en is blij dat ze de grauwe stad kan verlaten. Ze krijgt daarvoor echter geen vergunning. Op de achtergrond wordt op de piano één bastoon steeds herhaald.  

De Italiaan Vincenzo D’Aquila was al geëmigreerd naar New York, maar vindt het zijn plicht om zijn landgenoten bij te staan. Hij raakt gewond in de loopgraven en belandt per ongeluk in het mortuarium. Na een coma gaat hij langs bij andere gewonden op de ziekenzaal langs om hen te vertellen dat ze genezen zijn. Hij wordt overgebracht naar een psychiatrische inrichting in Udine vanwege manische wanen.
Vincenzo d’Aquila wil zijn vaderland redden door de vrede te prediken, maar de staf ziet de getraumatiseerde soldaten als lafaards en simulanten. De dokter heeft zelf twee zoons die in de oorlog vechten, dus zijn patiënten moeten zich niet aanstellen. Omdat er geen behandeling is tegen de trauma’s worden ze gewoon weer naar het front gestuurd. Vincenzo raadt zijn medepatiënten aan zich als gek te gedragen om niet weggestuurd te worden. Zelf geeft hij het voorbeeld door uitzinnig op zijn bed tekeer te gaan en de veren uit zijn kussen te laten dwarrelen. Vincenzo komt in de isoleercel. De dokter zoekt hem daar op. Hij vertelt dat zijn twee zoons vermist worden, vindt dat de buitenwereld gek geworden is en besluit dat Vincenzo geen ontslag krijgt.

Marie Pireaud uit de Dordogne ligt in bed en mist haar man Paul die vlak na de trouwdag naar het front is afgereisd. Marie helpt haar vader op de boerderij en voert een intensieve briefwisseling met Paul als troost. Het is het begin van de moderne massacommunicatie. Verlof krijgen de soldaten niet. Na acht maanden wil ze naar het front, maar haar vader geeft haar geen toestemming. Desondanks pakt Marie haar rode koffer. Als haar vader de koffer ontdekt slaat hij haar. Het is lichtzinnig om als vrouw alleen een week lang door Frankrijk te reizen. Als Marie steeds maar geen post ontvangt is ze wanhopig en snijdt haar polsen door. Vervolgens geeft haar vader haar wel toestemming om naar Paul te gaan. Hij leent haar geld en geeft haar bescherming mee tegen ongewenste zwangerschap. Hoewel ze verdord is, zoals ze tegen Paul zegt, komt ze zwanger terug. Haar vader is blij. Paul denkt dat de oorlog tegen de kerst van 1915 wel voorbij zal zijn, maar komt bedrogen uit. Strategisch is 1915 een verloren jaar op alle fronten.   

De welgestelde Gabrielle West die ervaring heeft met het Rode Kruis, meldt zich aan om in een munitiefabriek in Woolwich te werken. Ze loopt door modderige straten en vraagt Mary Morgan uit de arbeidersklasse waar ze precies moet zijn. Ze krijgt later een plaats naast haar aangewezen en deelt thee uit. De arbeidsomstandigheden zijn vreselijk vanwege de giftige stoffen die daar geproduceerd werden. Mary krijgt af en toe een epileptische aanval. Eerst wil Gabrielle haar niet teveel suiker geven omdat dat op rantsoen is. Ze vindt zichzelf niet geschikt voor het werk, zegt ze tegen de chef. Maar dan gaat het luchtalarm af. In de schuilkelder mist ze Mary. Ze gaat naar haar op zoek, ziet buiten een zeppelin en vindt haar op de vloer. In de schuilkelder geeft ze haar thee en vraagt haar of ze een tweede klontje suiker wil. 
Gabrielle gaat bij de vrouwenpolitie om de vrouwen in de munitiefabriek onder de duim te houden. Mary Morgan laat zich echter niet fouilleren. West zit gevangen tussen de vrouwen en haar chef. Ze vraagt hem of de vrouwen geen langere rookpauzes kunnen krijgen, maar de chef wuift haar voorstel weg. Hier komt echt geen revolutie zoals in Rusland, zegt hij. Door de Duitse U bootoorlog wordt het voedsel in Engeland schaars. Als de vrouwen staken wil de chef dat Gabrielle zijn standpunt kiest, want de troepen hebben munitie nodig, maar ze vindt dat hij eerder had moeten ingrijpen en neemt ontslag.

Ernst Jünger is negentien jaar oud als hij als vrijwilliger gelegerd wordt aan het front bij Verdun. Het wordt niet de heldhaftige slachtpartij die hij in gedachten had. Er hangt een zware lijkengeur vermengd met die van munitie over de aarde.
Jünger is bevorderd tot luitenant en komt in dorpen die ze op de Fransen veroverd hebben. Hij heeft daar een minnares Jeanne, wiens man ook aan het front is. Haar zoon verwerpt het gedrag van zijn moeder. Ook van hogerhand wordt dit afgekeurd. Omdat jonge officieren als eerste sneuvelen zoeken ze een uitlaatklep achter het front. Voor de soldaten zijn er illegale danslokalen en oorlogsbordelen, een soort afwerkplekken. Jünger zegt tegen zijn kameraad Priebke dat hij vreest dat hij syfilis heeft, maar zijn maat is daar laconiek over. In het leger worden condooms uitgedeeld. Het vormt deel van de standaarduitrusting van de soldaat. Jeanne moet zich laten onderzoeken op laste van gevangenisstraf.  
Jünger bevindt zich in het niemandsland. Hij weet niet wie zich in zijn nabijheid bevinden. De Duitsers hebben minder mankracht dan de geallieerden. Een peloton dat hem opspoort komt onder vuur te liggen. Hij kijkt uit op een kraterlandschap zonder grassprietje. Van zijn groep is bijna niemand meer over. Als de kanonnen zwijgen en de geallieerden oprukken, bieden de ingegraven Duitsers fel verzet dat aan 19000 Britten het leven kost. 
Jünger loopt door de loopgraven en bedwingt zijn woede als hij een Britse soldaat aantreft met een foto van zijn vrouw en zes kinderen. Duitsland vordert zestig kilometer. Samen met Priebke vindt hij veel proviand van de Engelsen, terwijl men altijd dacht dat die het net zo slecht hadden als zijzelf. De hongerige manschappen doen zich te goed aan de etenswaren. Jünger dringt aan op de afmars. Ze trekken door het gebied van de Somme waar alles in puin ligt, maar dan neemt het verzet van de Engelsen weer toe. De manschappen zien de nut van vechten niet meer in en geven zich over. Zelf wordt Jünger in zijn schouder getroffen. Hij loopt naar het station maar treinen rijden niet meer. Ook in Duitsland is na de matrozenopstand van 4 november 1918 de revolutie uitgebroken. Het volk wil een einde aan de oorlog. Men houdt Jünger onder schot en stuurt hem vervolgens naar huis. Veel officieren zien de nederlaag als een dolkstoot en zinnen alweer op wraak. Het continent ligt in puin, Europa is een dodenakker en verzoening is ver weg.

Hier meer over deze serie op NPO doc, hier de site van de Diaries of the great war met een lijst met de optredende historische personages. Overigens All quiet at the western front die ik betitelde als de beste film over de Eerste Wereldoorlog een overtuigend beeld van de benarde toestand waarin men vier jaar lang voortmodderde.  
 





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen