Welcome, reader! According to Antony Hegarty in this second decade of the new century our future is determined. What will it be? Stays all the same and do we sink away in the mud or is something new coming up? In this blog I try to follow new cultural developments.

Welkom, lezer! Volgens Antony Hegarty leven we in bijzondere tijden. In dit tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden de lijnen uitgezet naar de toekomst. Wat wordt het? Blijft alles zoals het is en zakken we langzaam weg in het moeras van zelfgenoegzaamheid of gloort er ergens iets nieuws aan de horizon? In dit blog volg ik de ontwikkelingen op de voet. Als u op de hoogte wilt blijven, kunt u zich ook aanmelden als volger. Schrijven is een avontuur en bloggen is dat zeker. Met vriendelijke groet, Rein Swart.

Laat ik zeggen dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf. Rudy Cornets de Groot.

Do not go gentle into that good night, Old age should burn and rage at close of day; Rage, rage against the dying of the light. Dylan Thomas.

Het is juist de roman die laat zien dat het leven geen roman is. Bas Heijne.

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes.



vrijdag 30 september 2011

Recensie: De verzonken jongen (2011), Jan Vantoortelboom


Haat, nijd en familiegeheimen in een West-Vlaams dorp.

Soms denk je dat je het wel kent, de sappige anekdotische beschrijvingen van het leven in deVlaamse rooms-katholieke gemeenschappen, waarin haat en nijd gedetailleerd aan de lezer wordt voorgeschoteld, maar het recept, ook al is het bekend, werkt nog steeds en er zijn steeds weer nieuwelingen die het met veel smaak opdienen.

Jan Vantoortelboom is zo iemand, aan wiens schrijfstijl je niet zou zeggen dat hij een beginner is. Zijn verhaal over de broers Stoffel en Bert Vanheule en tegelijk over hun opa Victor wordt op een prachtige manier uit de doeken gedaan. De hoofdstukken over Victor en die over zijn kleinzoon Stoffel wisselen elkaar af, zodat de beide geschiedenissen elkaar van twee kanten steeds dichter naderen en tenslotte tot een mooi eind gebracht worden.

Het boek begint met een einde. Hoofdpersoon Stoffel, de ik-figuur in deze roman, begraaft zijn moeder op het kerkhof van Elverdinge, diep gelegen in het West-Vlaamse achterland, zoals dat in het boek genoemd wordt. Stoffel piekert over zijn familie, vraagt zich af wat zijn opa Victor misdaan heeft, wat er precies gaande was tussen hem en zijn zus Lora, beiden nakomelingetjes in een gezin met oudere zussen, wie zijn moeder precies was, aangezien zij nooit contact hadden met haar tak van de familie. Hij ziet alleen brokstukken uit levens die hem onbekend zijn.

De personages zijn van vlees en bloed, op de eerste plaats Victor, geboren in 1896, die tot afgrijzen van Stoffel een litteken dwars over zijn gezicht heeft lopen. Victor is een sterke man en wordt daarom gevraagd als buitenwipper in het plaatselijk café. Hij heeft een speciale band met zijn drie jaar oudere zus Lora, een verhouding die veel spanning aan het boek geeft. Na zijn deelname aan de eerste wereldoorlog is de mannetjesputter ongeschonden naar huis teruggekeerd, maar leeft teruggetrokken. Stoffel bekijkt hem met verbazing. ‘Hij zat nog steeds in zijn zetel op zondag met een mes druivenpitten van tussen zijn tanden te peuteren, vliegen dood te meppen en giftige scheten te laten.’

Een ander mooi portret is de pastoor, die afhankelijk is van de gulheid van de zakenlui en in het begin van het boek op bezoek gaat bij antiekhandelaar en notaris Verdonck. Deze heeft een bedlegerige vrouw en daarom Lora, het zusje van Victor, als kuisvrouw in dienst genomen. Voor de pastoor is het duidelijk dat Verdonck verliefd op haar is, maar veel kan hij daar niet over zeggen. Ook in het dorp wordt erover geroddeld, net als over Victor.

Lora zelf mag er ook zijn. Tijdens de begrafenis van de vrouw van Verdonck zit ze zelfbewust vooraan in de kerk. ‘Haar borsten priemden vooruit, om de kracht en kleur van haar zang de monden waaruit roddel en achterklap spuiden het zwijgen op te leggen.’

Dan zijn er de jongens, de broers Bert en Stoffel, misdienaars, die behoorlijk van de goede weg afdwalen. Stoffel bezit een metalen doosje waarin hij stukjes van Victor bewaart zoals stukken nagels en tanden, die hij onder tafel vindt. De wat oudere Bert is een dierenvriend, maar verder geen lieverdje. Bert wordt door opa Victor afgetuigd als hij kakt in een tweedehands broek, die zijn moeder hem aantrekt. De dood van hun moeder brengt de broers niet dichter bij elkaar: ‘In plaats van samen bescherming te zoeken, dreven we af op twee verschillende, onstuitbare krachten van overleving. Er waren blauwe plekken geweest, een beetje duwen en trekken, aftastend. Soms bloed. Soms gericht uithalen. Maar nooit voluit. Ons gedeelde medelijden voor vader kon de kloof niet overbruggen, maar bedwong ons wel. Ik bezat een angstloze taaiheid waar Bert bewondering voor had. Hij bezat spierkracht waar ik bewondering voor had. Dat was het.’

De roman is van grote poëtische allure. Mooi zijn de Vlaamse begrippen als saffelen die op elke pagina wel voorkomen, maar ook de beelden zoals de sproeteneilandjes op het gezicht van Stoffels moeder, alsof ze met een vergiet in de zon had gelegen. Over de puist op de kin van Bert zegt Stoffel: ‘Er zat een luciferskop op.’ De lezer wordt door de aardsheid en zintuiglijkheid (met alle stront bijvoorbeeld) met huid en haar in het verhaal getrokken.

De compositie zit gebeiteld in elkaar, al wordt er af en toe teveel weggegeven. Vertoortelboom weet de verschillende verhaalelementen kundig in elkaar te lassen. Ook ontroering brengt hij over, bijvoorbeeld in de schets van Stoffels vader, die achterblijft na de dood van zijn vrouw of in die van het afscheid van Victor van diens hond Wolf als hij naar het leger gaat.
Weer is een nieuw juweel toegevoegd aan alle rijkdom die we al uit Vlaanderen hebben ontvangen.


  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen